BAC 2025-16343
Publicatiedatum 18-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 26 januari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 10 april 2026 om 10:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 3 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit van 26 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit beoordeling kinderopvangtoeslag van 26 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna onder meer: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2018.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 5 oktober 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2008 tot en met 2019. De toeslagjaren 2008 tot en met 2018 zijn beoordeeld, omdat in die jaren sprake was van een KOT aanvraag door belanghebbende.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 januari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2008 tot en met 2018.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2018.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 maart 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 13 september 2025 schriftelijk gereageerd.
- Op 10 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Na afloop van de hoorzitting heeft de gemachtigde per e-mail aanvullende bewijsstukken, bestaande uit bankafschriften, overgelegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 26 januari 2026 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting.
Beoordeling toeslagjaren 2008 tot en met 2018
De Commissie ziet zich, mede gelet op de nadere precisering van het bezwaar, inhoudende dat de toeslagjaren 2008 tot en met 2015, 2017 en 2018 niet langer in geschil zijn, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT, terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het toeslagjaar 2016 af te wijzen.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2016
Belanghebbende betoogt dat hij aanspraak maakt op compensatie voor het toeslagjaar 2016. In dat kader voert hij aan dat de in het dossier aanwezige antwoordformulieren identiek zijn zodat niet kan worden vastgesteld dat B/T voldoende heeft uitgevraagd voordat de KOT werd verlaagd op basis van opvanggegevens uit de zogenoemde kinderopvanginstelling-viewer (hierna: KOI-viewer).
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van vooringenomenheid van B/T dan wel van hardheid van het stelsel.
De Commissie overweegt dat een verlaging van de KOT op basis van de KOI-viewer niet als vooringenomen kan worden aangemerkt, tenzij B/T gelet op de beschikbare info in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van de opvanggegevens uit de KOI-viewer. De Commissie ziet, in het licht van de feiten en omstandigheden zoals die uit de stukken naar voren komen, echter geen aanleiding om te oordelen dat B/T in dit geval aan de juistheid van de gegevens uit de KOI-viewer had moeten twijfelen. Daarbij betrekt de Commissie dat, zoals door UHT ter zitting is toegelicht, uit de stukken blijkt dat er meerdere contactmomenten tussen B/T en belanghebbende zijn geweest. Uit de desbetreffende meldingen volgt dat het door belanghebbende ingediende antwoordformulier herhaaldelijk onvolledig was ingevuld, hetgeen voor B/T aanleiding heeft gevormd om uit te gaan van de opvanggegevens zoals opgenomen in de KOI-viewer. Tevens merkt de Commissie op dat in het ouderdossier onder andere producties 1500010 (pagina 569), 0900001 (pagina 182) en 1900005 (pagina 581) zijn aangetroffen, waaruit eveneens kan worden afgeleid dat B/T, gelet op de desbetreffende meldingen, voldoende heeft uitgevraagd. Voorts weegt de Commissie mee dat belanghebbende destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de KOT.
Concluderend heeft de Commissie geen aanwijzingen gevonden dat in het toeslagjaar 2016 sprake is geweest van een vooringenomen handelwijze of nalaten door B/T jegens belanghebbende. Evenmin zijn aanwijzingen gevonden voor hardheid als bedoeld in de Wht. Het bezwaar is in zoverre ongegrond.
Voor zover in het bezwaar van belanghebbende besloten ligt dat onjuiste opvanggegevens zijn verwerkt in de KOI-viewer, merkt de Commissie op dat dergelijke, eventuele omissies uitsluitend via een herzieningsverzoek kunnen worden gecorrigeerd. De Wht voorziet enkel in compensatie wegens vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld, en biedt geen ruimte voor correctie van een onjuiste vaststelling van de KOT. UHT heeft daartoe dan ook geen bevoegdheid. De Commissie zal daarom UHT adviseren het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Ten overvloede wijst de Commissie belanghebbende erop dat hij zich desgewenst tot UHT kan wenden met het verzoek om het toeslagjaar 2016 door het samenloopteam te laten beoordelen (zie paragraaf 3.5.3 van het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek).
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van deze bezwaarprocedure. Aangezien de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit dus niet te herroepen, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar tegen het bestreden besluit ongegrond te verklaren en het besluit in stand te laten;
- geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter