BAC 2025-16341
Publicatiedatum 14-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 28 december 2022 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 2 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 30 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag van 28 december 2022 (UHT-DCHA), hierna: het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het jaar 2005.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2011.
In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit beperkt tot toeslagjaar 2005 omdat alleen in dat jaar KOT is aangevraagd. - De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 november 2022 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor het toeslagjaar 2005.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor het jaar 2005.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 februari 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 19 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 2 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, per e-mail van 2 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. UHT heeft daar op
9 april 2026 op gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.
Motivering en zorgvuldigheid
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden besluiten behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit(en) leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2005
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de aanpassing van de KOT voor het toeslagjaar 2005 is gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen en toegezonden jaaropgaven, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.
B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders die in het systeem van de belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvang-instellingen verstrekken.
De Commissie is van oordeel dat er bij de toekenning, aanpassing of terug-vordering van de KOT voor het toeslagjaar 2005 geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen KOT waren gelegen in een te hoog voorschot dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopings-punten gevonden om hierover in dit geval anders te oordelen. Verder zijn er geen aanwijzingen dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de onterechte aanname dat zij opzettelijk of grofschuldig ten onrechte KOT heeft ontvangen, zodat op een tegemoetkoming daarvoor geen aanspraak kan worden gemaakt.
De Commissie adviseert UHT daarom om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2006
Ter zitting is namens belanghebbende gesteld dat de KOT na toeslagjaar 2005 automatisch had moeten zijn gecontinueerd in toeslagjaar 2006. Dat dit niet is gebeurd, is volgens belanghebbende vooringenomen geweest, aangezien het kind van belanghebbende ook in 2006 opvang heeft genoten.
Het kind van belanghebbende is geboren op 29-10-1993. Dit betekent dat het op 29-10-2005 twaalf jaar is geworden. Volgens belanghebbende was haar kind een zogeheten “late leerling” en ging het in het schooljaar 2005/2006 nog naar het basisonderwijs. Belanghebbende heeft geen stukken kunnen vinden waaruit blijkt dat daadwerkelijk kinderopvang is genoten in 2006 maar heeft wel aangetoond dat zij in toeslagjaar 2006 een zogeheten doelgroeper was.
UHT heeft in haar aanvullende beschouwing na de hoorzitting gesteld dat art. 15 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) pas per
1 januari 2006 in werking is getreden en alleen ziet op de automatische continuering van toeslagen voor de jaren na 2006.
De Commissie volgt dit standpunt van UHT niet. De Awir is per 1 september 2005 in werking getreden en geldt, krachtens art. 50 van de destijds geldende wettekst voor berekeningsjaren die aanvangen op of na 1 januari 2006. Automatische continuering van de KOT was krachtens art. 15 lid 4 Awir destijds al de norm.
In de Memorie van Toelichting staat hierover dat de voorschotten voor het toeslagjaar 2006 vanaf december 2005 worden verstrekt voor aanvragen uit 2005 die doorlopen naar toeslagjaar 2006. De KOT aanvraag van belanghebbende voor toeslagjaar 2005 had derhalve automatisch naar toeslagjaar 2006 door moeten lopen, behoudens duidelijke informatie dat dit niet zinvol zou zijn. In een dergelijk geval diende B/T de belanghebbende per brief te informeren dat en vanaf welk moment de eerder gedane aanvraag niet langer zou gelden en géén automatische verlenging plaats zou vinden. Een dergelijke brief zit niet in het dossier.
Ter zitting heeft UHT gesteld dat vastgesteld moet worden dat belanghebbende in toeslagjaar 2006 daadwerkelijk kinderopvang heeft afgenomen. De Commissie kan dit niet anders interpreteren dan dat UHT stelt dat, naar de huidige stand van zaken, geen geregistreerde kinderopvang is afgenomen in toeslagjaar 2006 en dat er daardoor evident geen recht bestaat op KOT voor dit toeslagjaar.
De Commissie volgt ook dit standpunt van UHT niet. De Commissie acht het, in het licht van de verklaringen van belanghebbende ter zitting over haar werk op de sociale werkplaats en het gevaarlijke kruispunt op de route van de school van het kind naar de woning van belanghebbende, aannemelijk dat zij wel kinderopvang heeft afgenomen. De Commissie concludeert dat van de vereiste evidentie geen sprake is.
Voor de volledigheid merkt de Commissie op dat de leeftijd van het kind van belanghebbende geen rol speelt. Al vanaf de invoering van de Wet Kinderopvang bestaat recht op KOT tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor een kind begint. Het is goed mogelijk dat het kind van belanghebbende pas na de zomervakantie van 2006 aan het voortgezet onderwijs begon. Uit de beschikbare informatie in het dossier volgt dat het kind van belanghebbende kinderopvang genoot tot en met 31 december 2005 (p. 98). Hiermee is aannemelijk dat het kind niet in het schooljaar 2005/2006 aan het voortgezet onderwijs is begonnen.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en vanwege vooringenomen handelen aan belanghebbende compensatie toe te kennen voor de eerste helft van kalenderjaar 2006.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om :
- Het bezwaar gegrond te verklaren;
- Het bestreden besluit te herroepen;
- Aan belanghebbende op grond van vooringenomen handelen compensatie toe te kennen voor de eerste helft van kalenderjaar 2006; en
- Een proceskostenvergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee tegen de hoogste vergoeding per procespunt
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter