BAC 2025-16326
Publicatiedatum 09-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 november 2023 (UHT-DCH)
Overdracht advies aan UHT: 20 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om toekenning van een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 20 november 2023.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.458 voor de jaren 2007, 2009 en 2012. Er is geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor toeslagjaar 2005.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 februari 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 en 2010. In overleg met belanghebbende is dit verzoek gewijzigd naar de jaren 2005, 2007, 2009 en 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 29 augustus 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
- UHT heeft bij voorlopige beschikking van 4 oktober 2023, met kenmerk UHT-VCH A, aan belanghebbende geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor toeslagjaar 2005.
- UHT heeft bij voorlopige beschikking van 4 oktober 2023, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.100 voor de toeslagjaren 2007, 2009 en 2012.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 20 november 2023, met kenmerk UHT-DCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.458 voor de toeslagjaren 2007, 2009 en 2012. Dit bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000.
- Gemachtigde heeft op 19 december 2024 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 1 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- De Commissie heeft gemachtigde op 6 januari 2026 verzocht om aan te geven of belanghebbende van haar recht om gehoord te worden gebruik wenst te maken. Daarnaast is gemachtigde in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 10 februari 2026 aanvullende bezwaargronden in te dienen indien belanghebbende niet wilde worden gehoord.
- Op 15 januari 2026 heeft gemachtigde namens belanghebbende te kennen gegeven dat geen behoefte bestaat om het bezwaar tijdens een hoorzitting mondeling toe te lichten en heeft gemachtigde de Commissie verzocht om een schriftelijke ronde voor het aanvullen van het bezwaar.
- Gemachtigde heeft niet (tijdig) aanvullende bezwaargronden ingediend, zodat de Commissie overgaat tot advisering.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht.
Onvolledig dossier/persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen zijn op 29 december 2025 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling per toeslagjaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.
Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.
Werkelijke schade
Belanghebbende voert aan dat zij meer schade heeft geleden dan waarvoor aan haar compensatie is toegekend. De Commissie overweegt als volgt.
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Gedupeerde ouders, die vinden dat zij meer schade hebben geleden door de problemen met de KOT dan zij in de Integrale Beoordeling (IB) vergoed hebben gekregen, kunnen zich aanmelden bij een nieuw digitaal informatie- en Aanmeldportaal, via de website schadeherstel.toeslagen.nl.
Herbeoordeling toeslagjaar 2005
De Commissie constateert dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet is gebleken van neerwaartse correcties in de KOT over het toeslagjaar 2005. Belanghebbende heeft ook niet gesteld dat zij over 2005 KOT heeft moeten terugbetalen. Het is dus niet aannemelijk dat belanghebbende over dit toeslagjaar schade heeft geleden ten gevolge van het handelen van de Belastingdienst /Toeslagen (hierna B/T), die op grond van de Wht tot compensatie kan leiden. Daarom komt belanghebbende over 2005 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
De compensatieberekening
In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht en de compensatieberekening volledig heroverwogen.
Toeslagrente over gemiste KOT (onderdeel o)
Het bedrag aan toeslagrente over gemiste KOT is volgens UHT voor de toeslagjaren 2007, 2009 en 2012 te laag vastgesteld. De Commissie neemt kennis van het feit dat UHT dit bedrag zal aanpassen in de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
Vergoeding voor immateriële schade (onderdeel n)
Belanghebbende stelt dat het bedrag aan immateriële schade onjuist is vastgesteld. UHT heeft dit bevestigd maar heeft vastgesteld dat de gemaakte fout in het voordeel van belanghebbende was en het bedrag aan immateriële schade om deze reden niet zou wijzigen. Nu de Commissie echter het bezwaar met betrekking tot de onderdeel o gegrond acht, adviseert zij om de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar en daarbij alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies.
Proceskosten
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om toekenning vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter