BAC 2025-16318
Publicatiedatum 08-09-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 26 november 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 24 april 2026 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 8 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, behoudens voor zover is aangevoerd dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 tot en met 2010.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 10 januari 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2010.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 november 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1. eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2010.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2007 tot en met 2010.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 november 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 juli 2025 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 27 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 24 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van het bestreden besluit en de daartegen aangevoerde bezwaren, geplaatst voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht heeft besloten de jaren 2007 tot en met 2010 niet als, kortweg, compensatiejaren aan te merken.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
De terugvordering van de KOT over deze toeslagjaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen in onder meer het aantal opvanguren, het uurtarief, het gezamenlijke toetsingsinkomen en door belanghebbende doorgegeven stopzettingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Voor de door belanghebbende in algemene zin gestelde stopzetting zonder individuele toetsing, brede uitvraag naar bewijsstukken, onvoldoende gelegenheid tot herstel en onevenredige terugvorderingen, waardoor volgens hem sprake zou zijn van vooringenomenheid, heeft de Commissie geen aanknopingspunten kunnen vinden in de stukken. Reguliere bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.
Belanghebbende betoogt dat de conclusie van UHT dat geen sprake is van een onterechte O/GS-kwalificatie onvoldoende is gemotiveerd omdat de onderliggende stukken ontbreken en dat hij recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming.
De Commissie stelt vast dat zich in het dossier een stuk bevindt met als conclusie dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van O/GS (productie 1300001). Gelet op de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) dient UHT standaard en actief inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevens-bron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545. Deze onderliggende stukken ontbreken in dit geval. De Commissie adviseert UHT om, voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van het bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belang-hebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
De Commissie merkt in dit verband op dat volgens het bepaalde in artikel 2.6 van de Wht náást het bestaan van een onterechte O/GS-kwalificatie is vereist dat deze kwalificatie ertoe heeft geleid dat aan belanghebbende een persoonlijke betalingsregeling of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd.
De Commissie stelt aan de hand van de betaal- en verrekenoverzichten van het Landelijk Incasso Centrum (LIC) vast dat de teruggevorderde bedragen voor alle betrokken jaren in maandelijkse termijnen zijn geïnd. Naar het oordeel van de Commissie kan hieruit worden afgeleid dat aan belanghebbende feitelijk een betalingsregeling is toegekend. De door belanghebbende ingenomen stelling dat hij als gevolg van de terugvorderingen gevolgen heeft ondervonden die identiek zijn aan gevallen waarin wél sprake was van een onterechte O/GS-kwalificatie vindt naar het oordeel van de Commissie dan ook geen steun in de feiten.
Hiermee is naar het oordeel van de Commissie niet voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van compensatie op grond van het hiervoor genoemde artikel 2.6 van de Wht. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.
Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat de terugvorderingen tot onevenredige gevolgen hebben geleid overweegt de Commissie dat belanghebbende dit onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Zij adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar eveneens ongegrond te verklaren.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu de Commissie, met inachtneming van het hiervoor overwogene, niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er op dit moment geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- de bezwaren tegen het besluit van 26 november 2024 met kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren, behoudens voor zover is aangevoerd dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd;
- belanghebbende inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de constatering dat geen sprake zou zijn van een O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren;
- geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter