Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16303

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 13 augustus 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 4 mei 2026

Overdracht advies aan UHT: 1 juni 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag van 13 augustus 2024 (UHT-DCHOA) (hierna: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2016.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 17 februari 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2014. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit uitgebreid naar de jaren 2009 tot en met 2016.
  • UHT heeft bij beschikking van 10 mei 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2016.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 september 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 1 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Deze reactie wordt hierna aangeduid als de beschouwing.
  • Op 4 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende stelt dat het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel zijn geschonden. Zonder volledig dossier is het voor haar niet inzichtelijk hoe UHT tot de weigering van compensatie heeft besloten.

UHT heeft het dossier en de beschouwing aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen. Op de hoorzitting heeft belanghebbende bovendien de mogelijkheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.

De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit voldoende heeft toegelicht. Door het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” en de overige producties is het bestreden besluit voldoende onderbouwd. Bij de hoorzitting zijn verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gekomen op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het door UHT overgelegde dossier incompleet is of aangevuld zou moeten worden.

De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Equality of Arms

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT die volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen”, is aan belanghebbende via diens gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op het bezwaar betrekking hebbende stukken.

De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Automatische voortzetting

In haar bezwaar voert belanghebbende aan dat zij in de problemen is gekomen door de automatische continuatie van de KOT in de periode 2010 tot en met 2016. Volgens belanghebbende heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) destijds onzorgvuldig gehandeld en dient B/T ouders die KOT ontvangen te beschermen voor liquiditeitsproblematiek vanwege eventuele terugbetalingen en (latere) verrekeningen.

Het is voor de Commissie duidelijk dat B/T destijds op basis van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) de KOT automatisch heeft verlengd. In artikel 15 lid 5 Awir staat dat een aanvraag voor KOT wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende toeslagjaren. Als een ouder KOT aanvraagt voor een bepaald toeslagjaar, dan is dat automatisch ook een aanvraag voor daaropvolgende toeslagjaren. Op grond van artikel 15 lid 6 Awir mag B/T de automatische verlenging van KOT voor opvolgende toeslagjaren ook niet zomaar stoppen.

Indien voor een ouder die KOT heeft aangevraagd bepaalde omstandigheden wijzigen – bijvoorbeeld meer of minder opvanguren worden afgenomen; een wijziging van het opvangtarief; een lager of hoger toetsingsinkomen – dan is die ouder gehouden zelf deze gewijzigde omstandigheden door te geven aan B/T. Op grond van artikel 15 lid 2 Awir dient de aanvrager van KOT de voor de beslissing op de aanvraag benodigde informatie duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te verstrekken. Uit artikel 17 Awir volgt dat, indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en er een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming, de belanghebbende is gehouden die wijziging door te geven.

De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Verrekeningen en beslagvrije voet

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat B/T ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet.

De Commissie overweegt dat bij verrekening van of beslag op toeslagen tot 1 januari 2021 ingevolge artikel 4:93 lid 4 Awb in combinatie met artikel 475c, aanhef en onderdeel j, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tot 1 januari 2021 in het geheel geen beslagvrije voet van toepassing was. Vanaf 1 januari 2021 worden in de wettelijke regeling de toeslagen wél meegenomen in de beslagvrije voet (artikel 475c, aanhef en onderdeel j, Rv), met uitzondering van de KOT. De KOT is namelijk niet bedoeld als inkomensvoorziening maar voor het bevorderen van de arbeidsparticipatie, dit in tegenstelling tot andere toeslagen. De beslagvrije voet is dus geen belemmering voor het verrekenen van terugvorderingen van KOT.

De Commissie is daarnaast van opvatting dat het verrekenen van terechte terugvorderingen geen compensatie op grond van hardheid oplevert. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: “Bij gedupeerden door een onterechte O/GS kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen” (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).

Voor de bezwaargrond dat B/T bij de terugvorderingen en verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, bestaat dus geen grond. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Geen vooringenomen handelen of hardheid

Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de aanpassingen van de KOT voor de beoordeelde toeslagjaren zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen en toegezonden jaaropgaven, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.

B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT-voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders die in het systeem van de belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2016 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen KOT waren het gevolg van te hoge voorschotten, die op basis van reguliere wijzigingen opnieuw zijn berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in dit geval anders te oordelen. De Commissie heeft ook geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat sprake is geweest van een onterechte kwalificatie wegens opzet of grove schuld (O/GS), zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Overige bezwaren

De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, zowel op zichzelf als in onderling verband bezien, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om het daarop betrekking hebbende verzoek af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter