Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16290

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 21 mei 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 2 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 15 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bestreden besluit op onderdelen te herroepen, met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 januari 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2012. UHT heeft de jaren 2006 tot en met 2013 opnieuw beoordeeld.
  • UHT heeft bij besluit van 4 april 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 in het kader van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 13 mei 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2013.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2013.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 13 juni 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij de brieven van 16 december 2025 en 27 januari 2026 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 1 september 2025 en 23 januari 2026 schriftelijk (met een ‘beschouwing’) en tijdens de hoorzitting ook mondeling gereageerd op het bezwaarschrift en de aanvullingen daarop.
  • Op 2 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2006 tot en met 2013 af te wijzen. UHT heeft, op verzoek van gemachtigde, ook de jaren 2005 en 2014 tot en met 2019 in bezwaar alsnog beoordeeld.

UHT is van oordeel dat de B/T in de jaren 2005 en 2014 tot en met 2019 niet vooringenomen heeft gehandeld en de hardheidsregeling niet van toepassing is.

Persoonlijk dossier/motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of zij inderdaad geen aanspraak heeft op compensatie over de toeslagjaren 2006 tot en met 2013. Hierdoor is het bestreden besluit volgens haar onvoldoende gemotiveerd. De Commissie volgt dit standpunt niet. De schriftelijke reactie (‘beschouwing’) van UHT en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Ontbrekende stukken/equality of arms

Belanghebbende voert aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking heeft gekregen over haar persoonlijk dossier en een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de benodigde documenten beschikt.
De Commissie overweegt hierover het volgende. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, die volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing met de bijbehorende producties zijn op 6 november 2025 aan gemachtigde gezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.

Automatische continuatie
Belanghebbende voert aan dat de KOT over de jaren 2007 tot en met 2013 is gecontinueerd en dat de B/T hiermee onzorgvuldig heeft gehandeld. De Commissie overweegt dat het automatische continueren van de KOT inherent is aan het toeslagensysteem. Op grond van artikel 15 lid 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende jaren. Een aanvraag van de KOT wordt dus geacht ook te zijn gedaan voor de daaropvolgende toeslagjaren en wordt daarmee automatisch gecontinueerd, tenzij de KOT door belanghebbende of de B/T wordt stopgezet of gewijzigd. Naar het oordeel van de Commissie heeft de B/T met het automatisch continueren van de KOT op een juiste wijze uitvoering gegeven aan de wet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Hardheid van het stelsel/beslagvrije voet
Belanghebbende voert aan dat de B/T over de toeslagjaren 2006 tot en met 2013 geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet en dat daarom de hardheidsregeling van toepassing is. De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c lid 1, aanhef en onder j, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en zo ja in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2005
De KOT voor het jaar 2005 is aangepast vanwege een gewijzigd toetsingsinkomen en redenen die nu niet meer met zekerheid zijn na te gaan. In haar beschouwing heeft UHT gesteld dat het ging om relatief kleine aanpassingen. De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2005 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Ook is er geen O/GS-kwalificatie geweest. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2006 tot en met 2008 en 2012
In de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 en 2012 heeft er in elk jaar één verlaging van de KOT plaatsgevonden die verband houdt met een wijziging in het toetsingsinkomen van belanghebbende. Er zijn geen aanwijzingen dat de B/T bij deze verlaging onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. Verder hebben in deze toeslagjaren geen terugvorderingen of verlagingen van € 1.500 of meer plaatsgevonden. De voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling zijn dus niet vervuld. Ook is er geen (onterechte) kwalificatie wegens opzet of grove schuld (O/GS) geweest. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2009
In het toeslagjaar 2009 hebben er twee verlagingen van de KOT plaatsgevonden. Deze houden verband met een wijziging in het toetsingsinkomen van belanghebbende en een stopzetting door belanghebbende. Er zijn geen aanwijzingen dat de B/T bij deze bijstelling onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. Verder heeft in dit toeslagjaar geen terugvordering of verlaging van €1.500 of meer plaatsgevonden. De voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling zijn dus niet vervuld. Ook is er geen O/GS-kwalificatie geweest. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2010
In toeslagjaar 2010 heeft er één verlaging van de KOT plaatsgevonden die verband houdt met een wijziging van de door belanghebbende te betalen kosten aan de kinderopvangstelling. Er zijn geen aanwijzingen dat de B/T bij deze verlaging onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. Weliswaar heeft in dit toeslagjaar een verlaging of terugvordering van € 1.500 of meer plaatsgevonden, maar de KOT is rechtstreeks uitbetaald aan de kinderopvanginstelling, en de kinderopvanginstelling heeft dat bedrag terugbetaald. Ook is er geen O/GS-kwalificatie geweest. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2011
In het toeslagjaar 2011 hebben er twee verlagingen van de KOT plaatsgevonden. Deze verlagingen houden verband met minder afgenomen opvanguren door belanghebbende en een wijziging van haar toetsingsinkomen. Er zijn geen aanwijzingen dat de B/T bij deze bijstellingen onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. Verder heeft in dit toeslagjaar geen terugvordering of verlaging van € 1.500 of meer plaatsgevonden. De voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling zijn dus niet vervuld. Ook is er geen O/GS-kwalificatie geweest. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2013
In het toeslagjaar 2013 hebben er twee verlagingen van de KOT plaatsgevonden. Deze verlagingen waren het gevolg van een wijziging in het toetsingsinkomen van belanghebbende en een stopzetting door belanghebbende. Er zijn geen aanwijzingen dat de B/T bij de tweede verlaging onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. Wat betreft de eerste verlaging van de KOT overweegt de Commissie als volgt.

Belanghebbende heeft voor het toeslagjaar 2013 haar bankafschriften van 2011 tot en met 2013 overgelegd. Daaruit blijkt dat er op 27 januari 2013 een betaling is geweest voor de opvang van februari 2013. Belanghebbende betoogt in dat kader dat zij de KOT niet per 1 februari 2013 heeft willen stopzetten, maar per 1 maart 2013. Dit wijst erop dat er tot en met februari 2013 opvang is geweest. Het is volgens de Commissie – gelet op de betaling van kosten voor kinderopvang door belanghebbende voor de maand februari 2013, waarvan blijkt uit de bankafschriften – onvoldoende duidelijk dat belanghebbende de KOT met ingang van 1 februari 2013 heeft willen stopzetten. De Commissie is van oordeel dat UHT met betrekking tot de stopzetting van de KOT met ingang van 1 februari 2013 vooringenomen heeft gehandeld. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren. Verder heeft in dit toeslagjaar een verlaging of terugvordering van € 1.500 of meer plaatsgevonden, maar de KOT is rechtstreeks uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en heeft niet het totaal aan kinderopvangkosten overschreden. De uitbetaalde KOT is daarmee volledig ten goede gekomen aan belanghebbende. Ook is er geen O/GS-kwalificatie geweest. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2014 tot en met 2019
Belanghebbende heeft volgens de gegevens van de B/T voor deze jaren geen KOT aangevraagd. Er is daarom geen aanwijzing dat de B/T vooringenomen heeft gehandeld. Ook is de hardheidsregeling niet van toepassing en er is geen O/GS-kwalificatie. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Proceskosten
Omdat het bestreden besluit naar de mening van de Commissie deels dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

De Commissie adviseert om het bezwaar voor een deel – namelijk voor de maand februari 2013 – gegrond en voor het overige ongegrond te verklaren.
Ook adviseert de Commissie om belanghebbende een forfaitaire vergoeding, zoals hierboven is omschreven, toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter