Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16280

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 februari (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 14 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 17 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

De toenmalige gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 februari 2024 waarbij belanghebbende is meegedeeld:
-    dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2010 tot en met 2015 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom geen recht heeft op compensatie.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • Bij brief van 31 oktober 2022 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, vooralsnog geen recht heeft op een betaling van
    € 30.000.
  • Op 7 februari 2024 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) haar oordeel kenbaar gemaakt. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2015 geen herstelregeling van toepassing is.
  • Bij brief van 19 februari 2024 is het bestreden besluit genomen.
  • Bij brief van 20 maart 2024 heeft gemachtigde tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  • Op 1 september 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 14 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. 
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Schending motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Voor zover sprake is van gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Verzoek om persoonlijk dossier
Deze procedure gaat over het bezwaar van belanghebbende tegen het bestreden besluit. Het verzoek om afgifte van het persoonlijk dossier maakt geen deel uit van dit besluit zodat de Commissie alleen al om die reden niet over dit verzoek kan beslissen.

Ontbrekende stukken
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie overweegt als volgt.
De schriftelijke beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 6 EVRM ‘equality of arms’
De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in de stelling dat het beginsel van ‘equality of arms’ zoals genoemd in artikel 6 EVRM, geschonden zou zijn. De

Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Automatische continuatie
Gemachtigde voert aan dat belanghebbende ook gedupeerd is, omdat B/T de KOT automatisch heeft gecontinueerd. De wijze waarop B/T met de automatische continuering omging was op zijn minst onzorgvuldig. Van B/T mag verwacht worden dat extra waarborgen in het aanvraagsysteem worden ingebouwd als ouder niet zelf om prolongatie vraagt. Die moeten voorkomen dat ouders worden geconfronteerd met latere terugbetalingen en verrekeningen.

De Commissie overweegt dat een aanvrager van KOT in beginsel niet jaarlijks opnieuw een aanvraag hoeft in te dienen. De toekenning geldt voor onbepaalde tijd, zolang de omstandigheden ongewijzigd blijven en B/T de beschikking niet expliciet beëindigt. Dit volgt uit artikel 15, vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Het is daarom van belang dat de aanvrager wijzigingen in relevante omstandigheden, zoals het inkomen en het aantal opvanguren, tijdig doorgeeft. Dit voorkomt dat er te veel of te weinig KOT wordt toegekend. Met de automatische continuatie heeft B/T de reguliere wettelijke procedure gevolgd. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.

Beslagvrije voet
Uit de memorie van toelichting bij de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) blijkt dat sprake is van hardheid van het stelsel als de KOT op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van KOT heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Verder blijkt uit de toelichting dat de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, in het algemeen niet zullen leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling. Het al dan niet in acht nemen van de beslagvrije voet bij de invordering dan wel verrekening van toeslagen is dus geen criterium dat meegenomen wordt bij de beoordeling of er sprake is geweest van hardheid. De Commissie adviseert daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Herbeoordeelde toeslagjaren

2012 tot en met 2015
Ter hoorzitting is aangegeven dat dit tijdvak buiten beschouwing gelaten kan worden. De Commissie zal daarom deze toeslagjaren niet verder bespreken.

2010 en 2011
Niet in geschil is dat ten aanzien van belanghebbende bij de uitvoering van de KOT in de jaren 2010 en 2011 sprake is geweest van vooringenomenheid. Als vooringenomenheid wordt vastgesteld, dan is de compensatieregeling van toepassing. Uit artikel 2.1, tweede lid, van de Wht volgt echter dat compensatie achterwege blijft indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als blijkt dat de ouder evident geen recht had op KOT in de betreffende jaren. UHT heeft toegelicht dat er sprake is van evident geen recht op KOT, omdat niet is gebleken dat belanghebbende in 2010 en 2011 gebruik heeft gemaakt van geregistreerde opvang.

Nu niet is voldaan aan de eis van het gebruik van geregistreerde opvang, had belanghebbende voor de toeslagjaren 2010 en 2011 evident geen recht op KOT. Gelet op het voorgaande heeft UHT zich terecht op het standpunt gesteld dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op de compensatieregeling of de hardheidscompensatie.

Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • het bestreden besluit niet te herroepen;
  • het bezwaar ongegrond te verklaren;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.                

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter