BAC 2025-16272
Publicatiedatum 06-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 17 oktober 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 18 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 5 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2009 op grond van vooringenomenheid en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 4 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT. UHT heeft de jaren 2009 en 2011 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 24 februari 2022 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 oktober 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 30 juli 2024 met kenmerk UHT-VCH A aan belanghebbend medegedeeld dat zij geen recht heeft op een herstelregeling.
- Belanghebbende heeft hiertegen een zienswijze ingediend op 28 augustus 2024.
- UHT heeft bij bestreden besluit van 17 oktober 2024 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 en 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 28 januari 2025, ingekomen op dezelfde dag, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 28 maart 2025, ingekomen op dezelfde dag, het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 19 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 30 september 2025, ingekomen op dezelfde dag, het bezwaarschrift aangevuld.
- Gemachtigde heeft op 26 januari 2026 een aanvullend stuk ingediend.
- Op 18 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen voor de toeslagjaren 2009 en 2011.
Beoordeling afwijzing compensatie voor toeslagjaar 2009
Belanghebbende betoogt dat UHT ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij geen recht heeft op compensatie over het toeslagjaar 2009. Volgens belanghebbende heeft zij in 2009 wel degelijk gebruik gemaakt van buitenschoolse opvang, waaronder opvang via een gastouderbureau. Dit blijkt ook uit stukken in het ouderdossier. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft zich volgens belanghebbende ten onrechte uitsluitend gebaseerd op de gegevens uit de KOI-viewer en is in het bestreden besluit niet ingegaan op andere dossierstukken waaruit het gebruik van gastouderopvang blijkt. In dit verband heeft gemachtigde op 26 januari 2026 een verklaring van de gastouder overgelegd.
Daarnaast stelt belanghebbende dat zij steeds heeft gereageerd op verzoeken van B/T, onder meer door het aanleveren van jaaropgaven. Dat stukken mogelijk zijn zoekgeraakt kan haar niet worden aangerekend. Ook heeft belanghebbende meermaals telefonisch contact opgenomen met B/T. Belanghebbende voert nog aan dat zij, nadat door B/T was meegedeeld dat geen volledige reactie was ontvangen, niet opnieuw in de gelegenheid is gesteld om stukken over te leggen voordat de KOT werd verlaagd. Volgens belanghebbende ligt de bewijslast bij UHT om aan te tonen dat haar verklaringen onjuist zijn en dient zij het voordeel van de twijfel te krijgen. Zij concludeert dat de B/T vooringenomen heeft gehandeld.
UHT stelt zich op het standpunt dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat belanghebbende in de periode van 1 januari 2009 tot en met 1 juli 2009 gebruik heeft gemaakt van kinderopvang via een gastouderbureau. Hoewel bij B/T bekend was dat belanghebbende in toeslagjaar 2008 gebruik maakte van opvang via gastouderbureau [naam GOB] en deze opvang daarom automatisch is gecontinueerd in de aanvraag voor 2009, kan hieruit volgens UHT niet worden afgeleid dat deze opvang in 2009 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Voorts stelt UHT zich op het standpunt dat er geen telefoonnotities of schriftelijke reacties van belanghebbende zijn aangetroffen in de systemen. Daarom is volgens UHT geen sprake van vooringenomen handelen.
De Commissie is van opvatting dat het uitvragen van een stuk dat reeds eerder werd verstrekt niet als reguliere controlehandeling kan worden aangemerkt. Een stuk waarover men al de beschikking heeft, dient niet opnieuw te worden opgevraagd.
De Commissie acht de stelling van belanghebbende dat zij de jaaropgaaf in origineel heeft verstrekt en meermaals telefonisch contact heeft gehad met B/T toen nogmaals daarom werd gevraagd, geloofwaardig.
Als de burger zich, al dan niet telefonisch, tot het bestuursorgaan wendt met de boodschap dat hij destijds het originele stuk toestuurde en dat niet nogmaals kan doen, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen of het desbetreffende stuk voorhanden is. De uitkomst van dit onderzoek moet de burger worden meegedeeld. Het in zo’n geval zonder vorenbedoeld onderzoek en mededeling verlagen van de KOT aanspraak, moet worden aangemerkt als vooringenomen handelen van het bestuursorgaan.
Het is de Commissie niet gebleken dat B/T destijds heeft onderzocht of zij beschikte over de opgevraagde jaaropgaaf. Daarom acht de Commissie de verlaging van de KOT, op grond van het niet verstrekken van de jaaropgaaf, een vooringenomen handeling jegens belanghebbende.
De Commissie neemt mede in aanmerking dat uit de verklaring van de gastouder volgt dat in 2009 opvang werk genoten.
Op grond van het vorenstaande adviseert de Commissie aan UHT om voor toeslagjaar 2009 aan belanghebbende een compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid.
Reguliere bijstellingen in toeslagjaar 2011
De Commissie stelt vast dat voor toeslagjaar 2011 via automatische continuering aan belanghebbende een bedrag van €1.480,- aan KOT is toegekend. De KOT is vervolgens één keer neerwaarts bijgesteld, van €1.480,- naar €0,-.
Deze aanpassing is gebaseerd op de stopzetting door belanghebbende van
6 januari 2011 met ingang van 1 januari 2011 (productie 1211002). Volgens UHT betreft dit een reguliere wijziging. Belanghebbende heeft de stopzetting erkend in het ouderverhaal (p.17 van het dossier).
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2011 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2011 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie ziet geen aanleiding om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen, zodat er geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding (productie 1300001). De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar het oordeel van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2009 op grond van vooringenomenheid;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter