Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16264

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 mei 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 20 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2016.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 14 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 tot en met 2016.
    De toeslagjaren 2011 tot en met 2016 zijn betrokken in de herbeoordeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 april 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 tot en met 2016.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 juni 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 25 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Bij mailbericht van 3 februari 2026 heeft de Commissie gemachtigde verzocht om binnen twee weken na de datum van het mailbericht per antwoordmail aan te geven of wordt afgezien van het recht te worden gehoord.
  • Bij mailbericht van 5 februari 2026 heeft gemachtigde hierop geantwoord dat belanghebbende afziet van het houden van een hoorzitting. Zij verzoekt de Commissie om een nadere schriftelijke ronde in te lassen.
  • De Commissie heeft daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgezien van het horen van belanghebbende en zal op basis van de aan haar bekende stukken advies uitbrengen.
  • Bij mailbericht van 2 april 2026 heeft gemachtigde de bezwaargronden aangevuld.
  • UHT heeft daarop op 15 april 2026 gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Het afzien van de hoorzitting
De Commissie constateert dat belanghebbende - blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de aanvullende reactie van gemachtigde - over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de BAC. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De BAC volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de BAC, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriften-adviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.

In de kern samengevat heeft belanghebbende de volgende bezwaren tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Geen persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Motivering van de beschikking
Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
De Commissie ziet nu niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht.

KOI viewer 2011 en 2014
Belanghebbende stelt dat recht is op compensatie op grond van vooringenomen handelen. De KOT over de toeslagjaren 2011 en 2014 is aangepast naar aanleiding van gegevens van de kinderopvanginstelling zonder met belanghebbende af te stemmen of deze gegevens juist waren.

UHT stelt dat B/T niet had hoeven te twijfelen aan de informatie die is doorgegeven via de KOI-viewer. B/T hoefde dus geen uitvraag te doen bij belanghebbende over de ontvangen informatie van de kinderopvanginstelling.

De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mochten uitgaan van de informatie opgenomen in de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. In de jaren 2011 en 2014 is de KOT aangepast naar aanleiding van gegevens van de kinderopvanginstelling. Er zijn geen aanwijzingen dat B/T niet uit mocht gaan van deze informatie. Daarnaast heeft belanghebbende geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is.

De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2011
Belanghebbende voert aan dat het verschil tussen de werkelijke kosten en de uiteindelijk toegekende KOT meer is dan €1.500 en dat recht bestaat op compensatie op grond van de hardheidsregeling. Daartegenover stelt UHT dat geen recht bestaat op compensatie op grond van de hardheidsregeling, omdat in toeslagjaar 2011 geen sprake is geweest van een terugvordering of verlaging van de KOT van € 1.500 of meer. UHT wijst erop dat de hardheidsregeling uitsluitend van toepassing is wanneer aan deze drempelvoorwaarde is voldaan.

De Commissie stelt vast dat over toeslagjaar 2011 geen verlaging of terugvordering van de KOT van ten minste €1.500 heeft plaatsgevonden.
De Commissie overweegt dat niet is voldaan aan de drempelvoorwaarde.
Daarmee bestaat geen recht op compensatie op grond van de hardheidsregeling.
De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt dat het toetsingsinkomen over toeslagjaar 2014 onjuist is vastgesteld waardoor belanghebbende in de problemen is gebracht. De toeslagen worden hierdoor te hoog vastgesteld en er kan met zekerheid worden gesteld dat belanghebbende terugvorderingen heeft ontvangen.

UHT stelt dat in de definitieve beschikking over toeslagjaar 2014 het inkomen is aangepast van €5 naar €47.717 en dat deze aanpassing heeft gezorgd voor een verlaging van de KOT. Het betreft een reguliere wijziging. 

Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat het toetsingsinkomen voor meerdere jaren onterecht is vastgesteld op €5 overweegt de Commissie het volgende. Uit het feitenoverzicht volgt dat het toetsingsinkomen van belanghebbende voor het eerst is vastgesteld op €5 in de beschikking van 21 april 2012. In dat overzicht wordt aangegeven dat de hoogte van het toetsingsinkomen is aangepast naar aanleiding van een door belanghebbende doorgegeven wijziging. Op 28 december 2012 is de KOT automatisch gecontinueerd naar toeslagjaar 2013 (p. 63 ouderdossier) en op 27 december 2013 is de KOT gecontinueerd naar toeslagjaar 2014 (p. 64 ouderdossier). Ten tijde van deze automatische continueringen was het laatste bekende vastgestelde inkomen de door belanghebbende doorgegeven wijziging waarin een inkomen van €5 is opgegeven. Op basis hiervan heeft B/T elk jaar de KOT, zoals zij wettelijke verplicht is, automatisch gecontinueerd. Pas nadien (bij beschikking van 6 januari 2015) is het toetsingsinkomen van belanghebbende aangepast naar € 50.340,- vanwege gegevens uit de Basisregistratie inkomen (p. 183 ouderdossier). De Commissie vindt in deze gang van zaken geen aanknopingspunten dat sprake is geweest van een vooringenomen handeling door B/T. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012, 2013, 2015 en 2016
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2012, 2013, 2015, 2016 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2012, 2013, 2015, 2016 waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend.

Over toeslagjaren 2012, 2013, 2015 en 2016 is de KOT verlaagd naar aanleiding van reguliere wijzigingen, ingestuurde stukken of een hoger toetsingsinkomen. Met betrekking tot de stopzetting per 1 januari 2015 heeft de Commissie geen aanwijzingen gevonden dat deze niet door belanghebbende is doorgegeven (productie 2800009).

Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

O/GS stukken

Gemachtigde verzoekt in het aanvullend bezwaarschrift om alle O/GS-stukken.
Zij acht deze stukken van groot belang om een volledige beoordeling te kunnen maken. Belanghebbende stelt in haar procesbelang te worden geschaad doordat zij niet over de O/GS-stukken beschikt.

De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling.
De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Verrekeningen
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen bij de CWS. Gelet hierop oordeelt de Commissie dat deze bezwaargrond niet tot gegrondheid van het bezwaar kan leiden.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in strijd met het toen geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in de betreffende toeslagjaren. Verder betoogt belanghebbende, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 16 Awir, dat B/T een onderzoeksplicht vooraf had, op basis van tastbare gegevens, of aanspraak bestond op KOT voordat een voorschot KOT werd toegekend. Het niet voldoen aan deze onderzoeksplicht komt voor rekening van B/T; terugvordering mag dan niet meer. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt.
De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen. Voor zover moet worden uitgegaan van een onderzoeksplicht voor B/T zoals door belanghebbende is betoogd, geldt hiervoor naar de Commissie meent hetzelfde; het niet hieraan voldoen is geen aanleiding om vooringenomen handelen aan te nemen.

Niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. Deze bezwaargrond slaagt niet.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaat-regel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Ook deze bezwaargrond kan niet tot gegrondheid van het bezwaar leiden.

Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOIviewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in te vullen. De Commissie verwijst naar de bespreking van de toeslagjaren 2011 en 2014 waarin wordt vastgesteld dat de KOT is aangepast naar aanleiding van de KOI-viewer. Voor de overige jaren stelt de Commissie vast dat de KOT niet is aangepast naar aanleiding van de KOI-viewer. De Commissie oordeelt dat deze bezwaargrond niet tot gegrondheid van het bezwaar leidt.  dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Bezwaarprocedures
Belanghebbende stelt verder dat over de jaren waarover zij bezwaar heeft gemaakt geen beslissing op bezwaar is genomen en dat om deze reden sprake is van vooringenomen handelen.

De Commissie overweegt dat uit de voor haar voorhanden stukken niet is gebleken dat belanghebbende destijds bezwaar heeft gemaakt. Deze bezwaargrond treft daarom geen doel.

Registratie kinderopvang
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.

Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. Daarom treft deze bezwaargrond geen doel.

FSV
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken.
De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

Discriminatie
Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken en uit de schriftelijke beschouwing van UHT niet gebleken.

Aanvullende schade
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op de website https://schadeherstel.toeslagen.nl.

Overige bezwaargronden
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter