BAC 2025-16255
Publicatiedatum 18-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 15 augustus 2023 (UHT-DCH ZV)
Hoorzitting: 21 mei 2026
Overdracht advies aan UHT: 2 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH ZV deels te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2012 een compensatie toegekend voor een bedrag van € 58.025 en geen compensatie voor de toeslagjaren 2014 en 2015.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 25 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010, 2011, 2012 en 2014. In overleg met belanghebbende is het verzoek gewijzigd naar de toeslagjaren 2010, 2011, 2012, 2014 en 2015.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 20 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat artikel 2.1, eerste lid van de Wht niet van toepassing is voor de jaren 2014 en 2015.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk [UHT-DCH ZV] aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012. Voor de toeslagjaren 2014 en 2015 is geen compensatie toegekend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 21 augustus 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 26 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 14 mei 2026 en 15 mei 2026 het bezwaar aangevuld.
- Op 21 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2012 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2014 en 2015 af te wijzen.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet nu niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht.
Onvolledig dossier/persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. Het ouderdossier is op 14 april 2025 (productie 2700006) aan gemachtigde verzonden en bevat alle relevante informatie over de jaren die zijn herbeoordeeld. Dit zijn de gegevens op basis waarvan de beslissing tot compensatie is genomen. Deze stukken bevatten onder andere beschikkingen, brieven, interne meldingen en betaal- en verrekenoverzichten. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen zijn op 26 augustus 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden overgelegd . Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toetsingskader Commissie van Wijzen
Belanghebbende stelt dat UHT het advies van de CvW niet heeft getoetst met inachtneming van de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 3:9 Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb). Belanghebbende is van oordeel dat het advies van de CvW eerst door UHT aan haar gemachtigde overgelegd had moeten worden.
De Commissie moet beoordelen of UHT zich mocht baseren op het advies van de Commissie van Wijzen (hierna: CvW). De Commissie stelt voorop dat de CvW een adviseur is in de zin van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). UHT mag zich daarom op het advies van de CvW baseren, nadat zij zich ervan vergewist heeft dat het onderzoek dat aan het advies ten grondslag ligt, op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten (artikel 3:9 Awb). De Commissie is van oordeel dat UHT haar besluit mede op basis van dit advies mocht baseren.
O/GS- en FSV stukken
O/GS
De Commissie overweegt dat in de onderhavige procedure de (wijze van) vaststelling dat over de door UHT beoordeelde toeslagjaren geen O/GS is vastgesteld. Belanghebbende heeft gesteld dat zij deze constatering nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken.
De Commissie acht het in dit opzicht onvoldoende dat door UHT uitsluitend wordt verwezen naar productie 1300001 in het dossier, waarin slechts de vaststelling ‘geen O/GS’ te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de aanvankelijke O/GS-beoordeling. Als de beoordeling van UHT (mede) berust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dient UHT die vaststelling te onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen.
Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545 en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-beoordeling en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
FSV
Behoudens de O/GS-stukken is de Commissie van oordeel dat UHT met het toezenden van het ouderdossier, dat ook de door belanghebbende gevraagde achtergrondinformatie over de FSV-vermelding bevat (productie 1400002), heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2010 en 2011
Belanghebbende benoemt dat de kinderopvangtoeslag over 2010 en 2011 is uitbetaald naar rekeningnummer 578357682, een rekening die haar niet toebehoort.
Belanghebbende verzoekt UHT concreet te duiden op wiens initiatief de rekeningwijziging in de systemen heeft plaatsgevonden, via welke route de uitbetaling aan rekeningnummer 578357682 is verlopen, en op welke wijze dat intern is vastgelegd.
De Commissie overweegt als volgt. Omdat UHT voor de toeslagjaren 2010 en 2011 al een volledige compensatie vanwege hardheid aan belanghebbende heeft toegekend komt de Commissie niet toe aan een beoordeling van de bezwaren die betrekking hebben op de wijze van totstandkoming van de conclusie van UHT dat voor deze jaren sprake is van hardheid van het stelsel. Het staat UHT evenwel vrij om deze vragen van belanghebbende inhoudelijk te beantwoorden.
Toeslagjaar 2013
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom het toeslagjaar 2013 niet is meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over dit toeslagjaar sprake was van KOT. Belanghebbende betwist dat over deze uitsluiting correct en adequaat is geïnformeerd door UHT.
De Commissie overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.
Uit het informatie- en beoordelingsformulier blijkt dat de aanvraag om compensatie aanvankelijk betrekking had op de toeslagjaren 2010 tot en met 2015, maar dat in overleg met belanghebbende het toeslagjaar 2013 niet is meegenomen in de herbeoordeling omdat er voor dit toeslagjaar geen terugvorderingen voor de KOT zijn geweest UHT heeft echter ter zitting aangeboden om dit jaar alsnog ter beoordeling voor te leggen aan de desbetreffende afdeling van UHT.
Gelet op het verbod van getrapte besluitvorming in bezwaar adviseert de Commissie UHT de herbeoordeling van het jaar 2013 in de beschikking op bezwaar neer te leggen. De Commissie houdt onderstaande bezwaarprocedure niet aan. De Commissie geeft UHT in overweging dat UHT belanghebbende door middel van een schriftelijke vooraankondiging, voorafgaande aan het nemen van het besluit op bezwaar, belanghebbende over de uitkomst van de herbeoordeling informeert en daarop een reactie van belanghebbende vraagt.
Toeslagjaren 2014 en 2015
Belanghebbende verzoekt UHT de toerekeningsnorm van het gestelde “evident geen recht” voor 2014 en 2015 in de beschouwing van 26 augustus 2025 alsnog inhoudelijk te motiveren.
2014
De Commissie overweegt als volgt. Op grond van artikel 15 lid 5 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende jaren. Een aanvraag van KOT wordt dus geacht ook te zijn gedaan voor de daaropvolgende toeslagjaren en wordt derhalve automatisch gecontinueerd, tenzij de KOT door belanghebbende of B/T is stopgezet of gewijzigd.
Naar het oordeel van de Commissie heeft B/T met het automatisch continueren van de KOT op een juiste wijze uitvoering gegeven aan de wet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
2015
Voor toeslagjaar 2015 geldt volgens UHT dat de nihilstelling is gebaseerd op DUO-gegevens waaruit zou volgen dat de kinderen van belanghebbende naar de basisschool gingen. Daarmee stond echter nog niet vast dat geen aanspraak meer op buitenschoolse kinderopvangtoeslag bestond.
De Commissie is van oordeel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie van DUO, tenzij er indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken.
Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit zou kunnen blijken dat de informatie van DUO niet juist is of dat er buitenschoolse opvang is afgenomen Deze bezwaargrond treft daarom geen doel. De Commissie adviseert UHT dit bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening
Belanghebbende betoogt dat UHT niet goed heeft gemotiveerd hoe de compensatieberekening tot stand is gekomen. UHT heeft in haar beschouwing de compensatieberekening gecontroleerd en uiteengezet dat een aantal componenten onjuist is berekend.
UHT heeft aangegeven dat de componenten immateriële schade (component n), de rentevergoeding over gemiste KOT (component o) en de aanvullende vergoeding van 1% (component p) onjuist zijn. De Commissie adviseert UHT om de componenten in de beslissing op bezwaar overeenkomstig haar eigen standpunt in het voordeel van belanghebbende aan te passen.
Proceskosten
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om toekenning vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om
- Het bezwaarschrift tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren ten aanzien van de componenten n, o en p en alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen in het voordeel van belanghebbende opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies en de bezwaren voor het overige ongegrond te verklaren;
- Een vergoeding toe te kennen voor kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter