BAC 2025-16252
Publicatiedatum 06-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 12 juli 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: hoorzitting heeft niet plaatsgevonden
Overdracht advies aan UHT: 26 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 24.566,- voor het jaar 2011, een tegemoetkoming O/GS (opzet/grove schuld) toegekend voor een bedrag van € 2.450,voor het jaar 2012 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2013. De eerder verstrekte vergoeding van € 30.000,- wordt gehandhaafd.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- UHT heeft bij besluit van 23 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 7 juni 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat voor de jaren 2012 en 2013 de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 van de Wht niet van toepassing is.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 24.566,- voor het jaar 2011, een tegemoetkoming O/GS (opzet/grove schuld) toegekend voor een bedrag van
€ 2.450,- voor het jaar 2012 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2013. - Gemachtigde heeft bij brief van 18 september 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 27 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft de Commissie op 3 februari 2026 bericht dat belanghebbende afziet van het recht te worden gehoord. De Commissie ziet daarom gelet op artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende.
- Gemachtigde is door de Commissie in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 7 april 2026, een aanvulling op het bezwaarschrift in te dienen. Het aanvullend bezwaarschrift is op 12 april 2026 bij de Commissie binnengekomen. De Commissie heeft dit stuk alsnog betrokken bij dit advies.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2012 en 2013 af te wijzen.
Afzien van het horen
De Commissie constateert dat de belanghebbende blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de schriftelijke reactie van 12 april 2026 van de gemachtigde over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de BAC. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De BAC volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de BAC, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Gemachtigde verzoekt om alle stukken die ten grondslag liggen aan het onderzoek naar O/GS-kwalificaties. Zij stelt dat belanghebbende in haar procesbelang geschaad wordt doordat zij niet over de O/GS-stukken beschikt.
De Commissie is van opvatting dat belanghebbende recht heeft op de onder-liggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling.
De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen.
Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inacht-neming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GSkwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
De stelling van gemachtigde dat het volledige persoonlijke dossier verstrekt dient te worden om te kunnen beoordelen of alle relevante stukken er zijn, volgt de Commissie niet. Behoudens de O/GS-stukken vindt de Commissie dat UHT met het toezenden van het ouderdossier, dat ook de door gemachtigde gevraagde achtergrondinformatie over de FSV vermelding bevat, heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Afzonderlijke beoordeling per toeslagjaar
Belanghebbende stelt dat de beoordeelde jaren niet op zichzelf staan. Het komt haar onterecht selectief voor dat slechts voor één toeslagjaar vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor de andere jaren niet.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.
Compensatieberekening over toeslagjaar 2011
UHT heeft geconstateerd dat component o van de compensatieberekening (rentevergoeding over gemiste KOT) niet juist is vastgesteld. Nu een correctie van dit bedrag in het nadeel van belanghebbende zou zijn, zal UHT de vergoeding in stand laten. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.
Toeslagjaar 2012
Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de stopzetting van de KOT over het jaar 2012 in principe vooringenomen heeft gehandeld, omdat niet met zekerheid vastgesteld kan worden of voldoende is uitgevraagd. UHT stelt zich echter op het standpunt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie, omdat uit de stukken in het dossier blijkt dat belanghebbende in 2012 een bijstandsuitkering ontving. Daarnaast is uit de stukken in het dossier niet gebleken dat belanghebbende gedurende dit toeslag-jaar werkte of doelgroeper was, aldus UHT.
De Commissie overweegt hierover als volgt. Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt de compensatie voor vooringenomen handelen niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. In die situatie bestaat evident geen recht op KOT. De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.
In het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van UHT staat hierover vermeld: “Als je evident geen recht op KOT stelt moet je zeker weten dat er geen opvang is geweest over die periode of dat de ouder (of toeslagpartner) niet voldeden aan de eisen om KOT te ontvangen.”
De Commissie meent dat UHT niet heeft voldaan aan de hierin weergegeven, op haar rustende bewijslast. Met alleen de constatering dat belanghebbende een bijstandsuitkering ontving, is volgens de Commissie namelijk nog niet evident dat belanghebbende geen recht had op KOT. Indien zij namelijk een re-integratietraject volgde, zou zij als doelgroeper wel recht hebben op KOT. Vaststaat dat belang-hebbende hierover destijds niet is uitgevraagd. Thans heeft zij verklaard zich niet te herinneren of sprake was van een re-integratietraject. Dit kan haar gelet op de verstreken tijd niet worden aangerekend en geeft geen duidelijkheid dat geen traject is gevolgd door belanghebbende. Belanghebbende heeft bovendien verklaard dat zij 2012 gedurende de tijd dat zij opvang afnam verschillende banen had, onder meer in de schoonmaak, als afwasser en in de zorg. Het verrichten van werkzaamheden is ook in overeenstemming met wat belanghebbende over haar werkzaamheden in 2011 en 2013 heeft verklaard. Het is mogelijk dat zij dit werk op enig moment uitvoerde met behoud van haar uitkering.
Naar het oordeel van de Commissie is de motivering van UHT daarom onvoldoende voor de conclusie dat evident geen recht op KOT bestond.
De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar in zoverre gegrond verklaren en aan belanghebbende een compensatie op grond van vooringenomen handelen toe te kennen over toeslagjaar 2012.
Toeslagjaar 2012 boete
Uit het dossier volgt dat UHT heeft geconstateerd dat een causaal verband bestaat tussen het vooringenomen handelen over 2011 en de aan belanghebbende opgelegde boete over toeslagjaar 2012. UHT heeft om die reden geconcludeerd dat de boete over 2012 in aanmerking komt voor compensatie (productie 0200001, pagina’s 28 en 31, onder 9.6). In het oordeel van de Commissie van Wijzen wordt deze conclusie eveneens aangehaald (productie 0400001,
onder 3.5).
De Commissie is van oordeel dat UHT terecht tot deze conclusie is gekomen.
Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat UHT de compensatie aan belang-hebbende heeft toegekend. De Commissie adviseert UHT daarom om bij de beslissing op bezwaar alsnog een vergoeding voor de boete over 2012 toe te kennen.
Toeslagjaar 2013
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2013 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De eerste terugvordering KOT over het toeslagjaar 2013 was gebaseerd op de door belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT per 11 april 2013 (productie 2700010). De tweede terugvordering was gebaseerd op de vaststelling dat sprake was van een hoger toetsingsinkomen (productie 1213010, 2600002). Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie heeft geen aanknopings-punten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. Het bezwaar treft voor toeslagjaar 2013 dus geen doel.
Werkelijke schade
Belanghebbende voert aan dat zij meer schade heeft geleden dan waarvoor aan haar compensatie is toegekend.
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op https://schadeherstel.toeslagen.nl/.
Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- aan belanghebbende alsnog compensatie op grond van vooringenomen handelen toe te kennen over toeslagjaar 2012, inclusief een compensatie voor de over dit jaar opgelegde boete;
- het bezwaar op de overige onderdelen ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter