Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16247

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 15 juli 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 30 maart 2026 om 11:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 20 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag, hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016. Zij heeft op grond van de Catshuisregeling een bedrag van € 30.000 ontvangen.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 28 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2013 tot en met 2020. UHT heeft een herbeoordeling uitgevoerd over de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016.
  • UHT heeft bij besluit van 26 januari 2022 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 juni 2024 aan de Dienst Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 27 september 2024, ingekomen op
    27 september 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 3 juli 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 4 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 11 februari 2026 het bezwaarschrift aangevuld en een aanvullend stuk ingediend.
  • UHT heeft op 27 maart 2026 een aanvullende beschouwing aan gemachtigde gestuurd.
  • Op 30 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 17 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op 1 mei 2026 daarop gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Toeslagjaar 2014
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2014 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. B/T heeft de KOT over dit jaar op nihil gesteld, nadat zij niet op herhaald verzoek om informatie had gereageerd. B/T heeft voor de kinderopvang-gegevens op 13 april 2015 een informatieverzoek gestuurd en op 25 mei 2015 een rappelbrief. Voor de definitieve vaststelling van de KOT is met betrekking tot het doelgroeperschap op 20 juni 2015 een informatieverzoek gestuurd en op
13 augustus 2015 een rappelbrief. De brieven zijn in de systemen van B/T teruggevonden. De Commissie is daarom van oordeel dat belanghebbende voldoende door B/T in de gelegenheid is gesteld om het recht op KOT aannemelijk te maken. B/T was op grond van de KOI-viewer ervan op de hoogte dat belang-hebbende van 1 september 2014 tot en met 30 november 2014 kinderopvang had afgenomen. B/T kon niet vaststellen of belanghebbende doelgroeper was, omdat zij niet op de informatieverzoeken had gereageerd. Het niet toekennen van KOT voor de afgenomen opvang, waarvan B/T op de hoogte was, is daarom geen vooringenomen handelen door B/T. Dat inmiddels bekend is geworden dat belanghebbende in de maanden oktober en november 2014 doelgroeper was en daarom voor deze maanden wel recht op KOT zou hebben gehad, maakt dit niet anders. B/T beschikte destijds namelijk niet over deze gegevens, terwijl belang-hebbende voldoende in gelegenheid was gesteld om ze aan te leveren.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2015
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. B/T heeft de KOT over dit jaar op nihil gesteld, nadat belanghebbende niet op het informatieverzoek en de rappelbrief had gereageerd. Deze uitvraagbrieven zijn in het dossier opgenomen. De Commissie is daarom van oordeel dat belanghebbende voldoende door B/T in de gelegenheid is gesteld een reactie in te dienen. Er waren geen aanwijzingen voor B/T dat belanghebbende in dit jaar kinderopvang afnam. De Commissie adviseert daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2016
De Commissie heeft aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning van de KOT voor het toeslagjaar 2016 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. B/T heeft op 18 april 2016 een informatieverzoek aan belanghebbende gestuurd met betrekking tot de kinderopvanggegevens. B/T heeft vervolgens geoordeeld dat de door belanghebbende opgestuurde stukken niet volledig waren. Op 15 juni 2016 heeft B/T daarom nogmaals een uitvraagbrief gestuurd met daarbij een aanvullend verzoek om informatie over het doelgroeper-schap. B/T heeft over dit jaar geen KOT toegekend, omdat belanghebbende niet alle gevraagde informatie had aangeleverd. De Commissie is van oordeel dat B/T nogmaals een rappelbrief had moeten sturen, omdat in de brief van 15 juni 2016 om documenten werd verzocht waarom nog niet eerder was gevraagd. Dat B/T dit destijds niet heeft gedaan, levert vooringenomen handelen op.

Volgens artikel 2.1, lid 1 van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Belanghebbende studeerde in de maanden januari en februari 2016. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden dat zij in deze maanden gebruik van geregistreerde kinderopvang heeft gemaakt en daardoor recht zou hebben op KOT. Uit de KOI-viewer en de destijds bij B/T ingediende facturen volgt dat zij van 21 maart tot en met 31 juli 2016 gebruik van kinderopvang heeft gemaakt. In deze maanden volgde zij echter geen opleiding meer en werkte zij niet, waardoor zij volgens UHT geen doelgroeper was en geen recht op KOT had. Belanghebbende stelt dat zij na het stoppen met haar opleiding voor de rest van het jaar nog gebruik mocht maken van KOT voor de opvanguren waar zij in januari en februari 2016 geen gebruikt van had gemaakt. Belanghebbende heeft echter in de maanden januari en februari 2016 geen gebruik gemaakt van gekwalificeerde kinderopvang, waardoor zij in deze maanden geen recht had op KOT. De situatie dat later in het jaar niet gebruikte opvanguren alsnog worden benut met recht op KOT, kan zich dan niet voordoen.

Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor het toeslagjaar 2016 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. 

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om:

  • het bestreden besluit in stand te laten;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter