Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16240

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 24 juni 2024 (UHT-DCHO)

Behandeling op stukken: 13 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 25 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de beschikking van 24 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHO in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 24 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHO.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 33.771 voor de toeslagjaren 2010 en 2013 tot en met 2015 op grond van vooringenomenheid, maar geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009, 2011, 2012 en 2016 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2007 tot en met 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 mei 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet
  • van toepassing is op de toeslagjaren 2007 tot en met 2009, 2011, 2012 en 2016 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 24 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van
    € 33.771 voor de toeslagjaren 2010 en 2013 tot en met 2015 op grond van vooringenomenheid, maar geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009, 2011, 2012 en 2016 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 24 juli 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 16 juli 2025 schriftelijk gereageerd.
  • Op 10 februari 2026 heeft gemachtigde de gronden van het bezwaar nader aangevuld en de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen. De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft het bezwaar behandeld in haar vergadering van 13 februari 2026.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Onderliggende stukken en persoonlijk dossier
Belanghebbende heeft verzocht om de onderliggende stukken en om inzage in haar persoonlijk dossier.

De Commissie overweegt als volgt. De schriftelijke beschouwing en de onder-liggende stukken zijn op 24 september 2025 aan gemachtigde toegezonden.
De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom dat deze bezwaargrond niet kan leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar.

Termijnoverschrijding
Gemachtigde wijst erop dat UHT de beslistermijnen structureel overschrijdt.
Zij vraagt de Commissie om daarover een signaal af te geven.

De Commissie adviseert inhoudelijk over de afdoening van bezwaren en het is niet aan haar om in haar advies een signaal als door belanghebbende gewenst af te geven.

Belanghebbende heeft de mogelijkheid om bij termijnoverschrijding, na een ingebrekestelling, beroep wegens niet tijdig beslissen in te dienen bij de rechtbank.

Beoordeling toeslagjaren 2007 tot en met 2019

De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van de bestreden beschikking, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2013 tot en met 2015 op de juiste wijze heeft berekend. Voorts zal de Commissie de vraag beantwoorden of UHT, terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009, 2011, 2012 en 2016 tot en met 2019, af te wijzen.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening toeslagjaren 2010 en 2013 tot en met 2015
De Commissie overweegt dat belanghebbende met de schriftelijke reactie van UHT op het bezwaar een nadere toelichting heeft ontvangen op de berekening van het compensatiebedrag. Daarbij is een per onderdeel uitgesplitste compensatieberekening verstrekt, zodat belanghebbende de juistheid van de berekening kan verifiëren. Uit hetgeen van de zijde van belanghebbende is aangevoerd is de Commissie niet kunnen blijken van onjuistheden die tot een hoger compensatiebedrag moeten leiden.

UHT heeft in de bijlage compensatieberekening vastgesteld dat de berekening van onderdeel o) (de rentevergoeding over gemiste KOT) voor de toeslagjaren 2010 en 2013 tot en met 2015 onjuist was, maar in het voordeel van belanghebbende is vastgesteld.

Daarnaast heeft UHT vastgesteld dat de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade onjuist is vastgesteld op 4 juli 2024 in plaats van 24 juni 2024. Gezien het verbod op reformatio in peius heeft UHT toegezegd de compensatieberekening in stand te laten. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2007 tot en met 2009, 2011, 2012 en

2016 tot en met 2019
Belanghebbende voert aan aanspraak te maken op compensatie voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009, 2011, 2012 en 2016 tot en met 2019.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2011 stelt zij dat de hoogte van de KOT onjuist is berekend en dat dit duidt op vooringenomenheid. Voorts stelt zij dat de verrekening van de KOT over het toeslagjaar 2012 met een terugvordering over het toeslagjaar 2010 getuigt van een vooringenomen handelswijze.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, voor zover hier van belang, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van vooringenomenheid of van hardheid in de handelswijze van B/T.

De Commissie stelt op grond van het dossier vast dat ten aanzien van de toeslag-jaren 2007 en 2008 uitsluitend sprake is geweest van opwaartse bijstellingen van de KOT. De KOT voor het toeslagjaar 2009 is eenmalig neerwaarts bijgesteld naar aanleiding van een hoger toetsingsinkomen.

De KOT voor het toeslagjaar 2011 is eveneens eenmalig neerwaarts bijgesteld naar aanleiding van een door of namens belanghebbende doorgegeven wijziging van het aantal opvanguren met ingang van 3 januari 2011. Voor zover belanghebbende stelt dat de KOT voor het toeslagjaar 2011 onjuist is vastgesteld en dat dit duidt op vooringenomenheid, merkt de Commissie in dit verband op dat in deze bezwaar-procedure uitsluitend wordt beoordeeld of belanghebbende recht heeft op compensatie op grond van de Wht. Eventuele fouten bij de vaststelling van de KOT in het verleden kunnen uitsluitend worden hersteld via een herzieningsverzoek.

Voor het toeslagjaar 2012 is sprake van twee neerwaartse bijstellingen.
De eerste neerwaartse bijstelling volgde naar aanleiding van een door of namens belanghebbende doorgegeven wijziging van het aantal opvanguren en een doorgegeven verhoging van het toetsingsinkomen. De tweede neerwaartse correctie volgde eveneens naar aanleiding van een verhoging van het toetsingsinkomen. Voor zover belanghebbende stelt dat de verrekening van de KOT voor het toeslagjaar 2012 met de terugvordering voor het toeslagjaar 2010 getuigt van een vooringenomen handelswijze, wijst de Commissie erop dat B/T op grond van artikel 30 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) bevoegd is om terug te vorderen bedragen te verrekenen met een tegemoetkoming of voorschot, ongeacht het berekeningsjaar. Deze bevoegdheid ziet zowel op verrekening met andere toeslagen als op verrekening met (terugvorderingen van) KOT zelf. Het enkele gebruikmaken van die bevoegdheid leidt niet tot de conclusie dat hier sprake is van vooringenomenheid of hardheid.

Voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2018 is uitsluitend sprake van opwaartse bijstellingen van de KOT. De KOT voor het toeslagjaar 2019 is naar aanleiding van de automatische continuering bij voorschotbeschikking van 27 december 2018 vastgesteld op een bedrag van € 8.295. De volgende afgegeven beschikking is gedateerd 21 november 2019. Nu deze beschikking uitsluitend betrekking heeft op een periode gelegen na 23 oktober 2019, en niet aannemelijk is geworden dat deze beschikking het gevolg is van besluiten of handelingen die vóór die datum zijn genomen, is de Commissie van opvatting dat de neerwaartse beschikkingen van het toeslagjaar 2019 buiten de reikwijdte van de Wht vallen.

Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009, 2011, 2012 en 2016 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld, of dat toepassing van het stelsel te hard is geweest. Voor zover over deze toeslagjaren terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zijn deze – zoals hierboven uiteengezet – het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere bijstellingen opnieuw zijn berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie adviseert UHT derhalve het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Thematisch toezicht en uitsluitlijst
Belanghebbende heeft UHT verzocht om op te helderen waarom zij voor het toeslagjaar 2014 onder thematisch toezicht heeft gestaan en waarom zij voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2019 op de uitsluitlijst is geplaatst.

De Commissie wijst in dit verband allereerst op de vaste uitvoeringspraktijk van UHT op dit punt, neergelegd in paragraaf 3.1.17 van het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek, versie 3.16, waarin het volgende is bepaald:

3.1.17 Uitsluitlijst, toezichtlijst, signaallijst en AB-event
De uitsluitlijst, toezichtlijst, signaallijst en het ‘AB-event’ (AB staat voor Afwijkend Beschikken) zijn allemaal varianten van een handelwijze door BD/T waarbij een ouder op een lijst werd gezet waardoor deze extra gecontroleerd werd. Dit hield over het algemeen in dat een nieuwe aanvraag of wijziging niet direct automatisch werd toegekend, maar dat er vooraf handmatig gecontroleerd werd. Het kan ook een automatische continuering hebben tegengehouden.

De mate waarin invloed is geweest op toekenning van KOT verschilt van geval tot geval. Als een ouder op één van deze lijsten is geplaatst, betekent dat echter niet automatisch dat de ouder vooringenomen is behandeld. Dit hangt af van verdere feiten en omstandigheden. Er zijn omstandigheden waarin het objectief te rechtvaardigen was dat een ouder op deze lijst is geplaatst. Denk aan ouders die voortdurend aantoonbaar onjuiste gegevens doorgaven. Er zijn ook omstandigheden die objectief gezien geen aanleiding gaven om een ouder op de lijst te hebben geplaatst.

Dat een ouder op één van deze lijsten is geplaatst, kan meewegen in de beoordeling of sprake is geweest van vooringenomenheid, maar zal op zichzelf in beginsel niet leiden tot vooringenomenheid.

Ten aanzien van de toeslagjaren 2016 tot en met 2019 overweegt de Commissie dat bij de behandeling van de KOT van belanghebbende, zoals reeds hierboven uiteengezet, geen aanwijzingen zijn gevonden voor een vooringenomen handelswijze van B/T. Geplaatst tegen deze achtergrond, en in het licht van de hiervoor weergegeven vaste uitvoeringspraktijk, acht de Commissie de enkele omstandigheid dat belanghebbende in deze jaren onder thematisch toezicht heeft gestaan dan wel op een uitsluitlijst was geplaatst onvoldoende om vooringenomenheid aan te nemen. Andere omstandigheden om wel tot de opvatting te komen dat sprake is van vooringenomenheid zijn de Commissie niet gebleken. De Commissie stelt voorts vast dat belanghebbende voor de toeslagjaren 2014 en 2015 reeds is gecompenseerd op grond van vooringenomenheid.

Niettemin begrijpt de Commissie dat belanghebbende nadere uitleg wenst over de overwegingen die hebben geleid tot haar plaatsing op deze lijsten. De Commissie adviseert UHT om voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2019 zorgvuldig te onderzoeken welke overwegingen hebben geleid tot het thematisch toezicht en de plaatsing op de uitsluitlijst, en deze toe te lichten in de beslissing op bezwaar.

Aanvraag KOT toeslagjaren 2005 en 2006
De Commissie stelt vast dat belanghebbende voor de toeslagjaren 2005 en 2006 geen KOT heeft aangevraagd. Op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht kan compensatie uitsluitend worden toegekend aan de aanvrager van KOT.
Nu belanghebbende voor deze toeslagjaren niet als aanvrager van KOT kan worden aangemerkt, komt zij voor deze jaren niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het door belanghebbende genoemde algemeen beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Werkelijke schade
De Commissie heeft, naar uit het voren overwogene blijkt, in de gronden van het bezwaar en hetgeen UHT daar tegenover heeft gesteld geen aanleiding gevonden om te concluderen dat de aan belanghebbende toegekende forfaitaire compensatiebedragen onjuist zouden zijn vastgesteld.

Belanghebbende stelt dat zij meer schade heeft geleden dan waarvoor aan haar compensatie is toegekend. Zij heeft daarbij met name bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop de vergoeding voor (im)materiële schade is vastgesteld.

De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen. De Commissie heeft in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om te komen tot het oordeel dat toepassing van het in de Wht neergelegde compensatiestelsel in een geval als het onderhavige buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de daadwerkelijke (im)materiële schade en dat in alle fases van toekenning in rechtsbescherming wordt voorzien.
Sinds 25 november 2025 is er een nieuw digitaal informatie- en aanmeldportaal via de website schadeherstel.toeslagen.nl. Gedupeerde ouders die vinden dat zij meer schade hebben geleden door de problemen met de KOT dan zij in de integrale beoordeling (IB) vergoed hebben gekregen, kunnen zich via voornoemd digitaal portaal aanmelden.

Artikel 19 Awir en de gestelde onderzoeksplicht vooraf
Belanghebbende stelt dat B/T in strijd met het toen geldende artikel 19 Awir niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in de betreffende toeslagjaren. Verder betoogt belanghebbende, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 16 Awir, dat B/T een onderzoeksplicht vooraf had, op basis van tastbare gegevens, of aanspraak bestond op KOT voordat een voorschot KOT werd toegekend. Het niet voldoen aan deze onderzoeksplicht komt voor rekening van B/T; terugvordering mag dan niet meer.

Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen. Voor zover moet worden uitgegaan van een onderzoeksplicht voor B/T zoals door belanghebbende is betoogd, geldt hiervoor naar de Commissie meent hetzelfde; het, beweerdelijk, hieraan niet voldoen is geen aanleiding om vooringenomen handelen aan te nemen.

Overige bezwaren
Voor het overige heeft de gemachtigde van belanghebbende in deze procedure een aantal, meer algemene, bezwaren aangevoerd die naar aard, inhoud en strekking overeenstemmen met de bezwaren die zij in een andere procedure heeft aangevoerd. In die procedure heeft de Commissie op 28 januari 2026 een advies uitgebracht (zie BAC 2023-14521) en, onder aanvoering van de daartoe leidende overwegingen, geadviseerd die bezwaren ongegrond te verklaren. De Commissie adviseert, onder verwijzing naar haar overwegingen in laatstgenoemd advies, deze, meer algemene, bezwaren in deze procedure eveneens ongegrond te verklaren.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar volgens de Commissie ongegrond is komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie aan UHT, de hiervoor geformuleerde vragen ontkennend beantwoordend, om:

  • het bezwaar tegen de beschikking van 24 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHO ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten;
  • geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter