BAC 2025-16238
Publicatiedatum 09-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 12 juni 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 5 februari 2026
Overdracht advies aan UHT: 12 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen en het verzoek tot een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 12 juni 2024.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 50.847 voor het toeslagjaar 2012 en de maanden januari tot en met juni van het toeslagjaar 2015 alsmede een tegemoetkoming voor een bedrag van € 1.524 wegens een onterechte kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS) voor het toeslagjaar 2011. Voor de toeslagjaren 2013, 2014 en de maanden juli tot en met december van 2015 is geen tegemoetkoming of compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 10 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2012 tot en met 2016. In overleg met belanghebbende is het toeslagjaar 2016 niet herbeoordeeld omdat voor dat jaar geen KOT is aangevraagd.
- UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2021, met kenmerk UHT-B DMB 2, aan belanghebbende medegedeeld dat hij in aanmerking komt voor de betaling van € 30.000, op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 mei 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2011, 2013, 2014 en de maanden juli tot en met december 2015.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 3 april 2024, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2012 en de maanden januari tot en met juni van het toeslagjaar 2015 een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 50.647. Voorts heeft UHT geen tegemoetkoming verstrekt voor de toeslagjaren 2013, 2014 en de maanden juli tot en met december van het toeslagjaar 2015.
- Gemachtigde heeft op 29 maart 2024 de zienswijze van belanghebbende op de vooraankondiging ingediend. Deze zienswijze is door belanghebbende op 1 april 2024 aangevuld.
- UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 12 juni 2024, met kenmerk UHT-DCHO, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 50.847 voor het toeslagjaar 2012 en voor de maanden januari tot en met juni van het toeslagjaar 2015 alsmede een tegemoetkoming voor een bedrag van € 1.524 wegens een onterechte kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS) voor het toeslagjaar 2011. UHT heeft aan belanghebbende geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de toeslagjaren 2013, 2014 en de maanden juli tot en met december van het toeslagjaar 2015.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 juli 2024 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 12 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 5 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 12 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Op 18 februari 2026 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Motivering
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Ambtshalve herberekening compensatieberekening
In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht en de compensatieberekening ambtshalve volledig heroverwogen.
Aanpassing compensatieberekening n.a.v. tweede keer vooringenomen handelen 2012
UHT heeft geconstateerd dat er in 2012 voor een tweede keer vooringenomen gehandeld is, terwijl er één keer gecompenseerd is. Derhalve moeten de componenten in de compensatieberekening worden aangepast. Belanghebbende heeft dit niet bestreden. De Commissie onderschrijft dit standpunt van UHT en adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren. Hieronder volgt een toelichting op de componenten van de compensatieberekening ten aanzien van 2012 die onjuist zijn en aangepast zullen worden.
Bij component b, de kinderopvangtoeslag voordat deze ten onrechte naar beneden werd aangepast, is ten onrechte een bedrag van € 8.053 opgenomen, terwijl hier € 0 had moeten staan. Als gevolg hiervan kloppen de bedragen bij de componenten c, de toeslag die belanghebbende niet heeft gekregen of moest terugbetalen (exclusief toeslagrente), en e, de toeslag die belanghebbende niet heeft gekregen of moest terugbetalen (inclusief toeslagrente), ook niet. Bij beide onderdelen staat een bedrag van € 19.725 in plaats van € 27.778. Bij de Materiële schade, component h, is een bedrag van € 4.932 opgenomen, terwijl het juiste bedrag € 6.945 is.
Fouten in de compensatieberekening in het voordeel van belanghebbende
Bij component f, verschil met de laatst vastgestelde beschikking kinderopvang-toeslag (inclusief betaalde toeslagrente), is een bedrag van € 0 opgenomen, terwijl hier € 7.020 had moeten staan. UHT heeft in haar aanvullende beschouwing toegezegd het bedrag van € 0 te zullen handhaven, omdat aanpassing van dit bedrag in het nadeel van belanghebbende zou zijn.
Datzelfde geldt voor de toeslagrente over gemiste KOT, component o. Dat bedrag is voor zowel 2012 als 2015 onjuist vastgesteld. Voor 2012 is een bedrag van
€ 8.716 opgenomen terwijl dit € 8.687 zou moeten zijn en voor 2015 is een bedrag van € 2.360 gehanteerd terwijl dit € 2.349 zou moeten zijn. UHT zal deze bedragen niet aanpassen, omdat dat in het nadeel van belanghebbende zou zijn.
Vergoeding voor immateriële schade (onderdeel n)
Nu de Commissie het bezwaar gegrond acht, adviseert zij om de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar en daarbij alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies.
Herbeoordeling toeslagjaren 2013 en 2014
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2013 was gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. Er hebben twee neerwaartse correcties plaatsgevonden vanwege een hoger toetsingsinkomen. Deze correcties zijn reguliere wijzigingen.
Ten aanzien van toeslagjaar 2014 heeft eveneens tweemaal een neerwaartse correctie plaatsgevonden. De eerste correctie was het gevolg van de doorgegeven wijziging van belanghebbende, dat zijn kind met BSN xxxxxxxxxx per 1 september 2014 niet meer naar de opvang ging. De tweede neerwaartse correctie vond plaats nadat belanghebbende de jaaropgave had overgelegd en op basis van gegevens van de kinderopvanginstelling. Hieruit bleek dat het kind van belanghebbende met BSN xxxxxxxxxx per 1 oktober niet meer naar de opvang ging. Alle bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
O/GS
Belanghebbende heeft betoogd dat hij een betalingsregeling heeft aangevraagd en dat er toch onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Deze situatie kan gelijkgesteld worden aan de situatie waarbij een persoonlijke betalingsregeling geweigerd is. Een O/GS-tegemoetkoming is daarom op zijn plaats.
UHT heeft in haar aanvullende beschouwing toegelicht dat belanghebbende inderdaad een verzoek om een betalingsregeling heeft ingediend, op 21 april 2016. Dit verzoek is vervolgens toegekend, voor een bedrag van € 360 per maand. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt en heeft verzocht om een regeling van € 150 per maand. Het bezwaar is door de B/T ‘kennelijk ongegrond’ verklaard. Desondanks is belanghebbende maandelijks een bedrag van € 150 blijven afbetalen. De B/T is vervolgens overgegaan tot loonbeslag.
De Commissie overweegt als volgt. Belanghebbende heeft om een persoonlijke betalingsregeling verzocht en deze is ook aan hem toegekend. Hierbij is rekening gehouden met zijn betalingscapaciteit. Toen belanghebbende niet aan de maandelijkse betalingsverplichting voldeed, was B/T gerechtigd om het bedrag op een andere manier te innen, in dit geval via loonbeslag. Dit betreft onderdeel van de uitvoering die over de toeslagjaren 2013 en 2014 aan de KOT is gegeven. Nu er verder ook niet is gebleken van een onterechte kwalificatie O/GS in deze jaren, is er geen aanspraak op een daarop gebaseerde vergoeding.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Herbeoordeling maanden juli tot en met december 2015
Ingevolge artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de maanden juli tot en met december 2015 nu belanghebbende in die periode geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Tijdens de hoorzitting heeft de gemachtigde van belanghebbende bevestigd dat in deze maanden geen KOT is aangevraagd. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor deze periode dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskosten
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en het verzoek tot een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter