Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16234

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 3 april 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 12 november 2025

Overdracht advies aan UHT: 15 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 3 april 2024 (UHT-DCHOA).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het jaar 2009.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 7 februari 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2013. UHT heeft alleen het jaar 2009 herbeoordeeld op de grond dat belanghebbende enkel in dat jaar KOT heeft ontvangen.
  • UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,- ingevolge de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 26 maart 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat wat het jaar 2009 betreft geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij primair besluit van 3 april 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: bestreden besluit) aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor het jaar 2009.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 mei 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 24 februari 2025 in een beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 november 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 12 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 2 december 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daarop op 11 december 2025 gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2009 af te wijzen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Belanghebbende stelt dat zij de juistheid van het bestreden besluit niet kan controleren vanwege het ontbreken van gegevens en stukken. Met name ontbreken de onderliggende stukken van de conclusie dat belanghebbende niet op de FSV-lijst staat en de onderliggende stukken van de O/GS-kwalificatie, waarvoor zij verwijst naar de Memo Onderliggende stukken O/GS van 18 september 2025 van de Dienst Toeslagen, Afdeling Vaktechniek.

De Commissie overweegt dat de beschouwing van 24 februari 2025 en de daaraan ten grondslag gelegde stukken aan belanghebbende zijn toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Na de hoorzitting heeft UHT gereageerd op het verzoek om de onderliggende stukken ten aanzien van O/GS en FSV te overleggen. Namens belanghebbende is hierop niet meer inhoudelijk gereageerd. De Commissie acht zich met de reactie van UHT voldoende toegelicht. Zij is van oordeel dat met deze reactie voldoende duidelijkheid is geboden over deze punten. Deze bezwaargrond treft daarom geen doel.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2009

Belanghebbende stelt dat zij zich niet kan verenigen met het besluit van UHT, waarin het verzoek om compensatie voor het jaar 2009 is afgewezen.

De Commissie overweegt dat zij geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2009 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2009 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door een reguliere wijziging opnieuw berekend. Hierbij ging het om een stopzetting van de KOT per 16 augustus 2009. Op de hoorzitting heeft belanghebbende verklaard dat zij zich niet kan herinneren dat zij de KOT heeft stopgezet. Zij heeft ook verklaard dat zij haar DigiD niet heeft gedeeld met anderen.

De Commissie constateert dat uit het XML-bestand (productie 29) blijkt dat de KOT op 15 juli 2009 met de DigiD van belanghebbende is stopgezet per 16 augustus 2009. Het XML-bestand is een digitaal bestand dat ofwel met de DigiD van de belanghebbende is aangemaakt ofwel door een ambtenaar van B/T. In dat laatste geval wordt een username vermeld.1 Dat is hier niet het geval. Hiermee is voldoende aannemelijk dat de KOT op 15 juli 2009 met gebruikmaking van de DigiD van belanghebbende is stopgezet per 16 augustus 2009. Bovendien wordt de stopzetting van de KOT per 16 augustus 2009 ondersteund door de KOI-viewer (productie 32) waaruit blijkt van opvang van 16 juni 2009 tot en met 15 augustus 2009. Nu er geen aanwijzingen zijn die duiden op het tegendeel, mocht B/T ervan uitgaan dat de KOT per 16 augustus 2009 door belanghebbende is stopgezet.

De bijstelling van de KOT is in overeenstemming met de wet uitgevoerd.

Een dergelijke bijstelling geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.

Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om te beslissen dat deze bezwaargrond niet leidt tot gegrondverklaring van het bezwaar.

Schending zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende betoogt dat sprake is van schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

De Commissie overweegt dat met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwingen en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van het overzicht van het Landelijke Incasso Centrum (LIC) - en de overige producties, niet gezegd kan worden dat UHT gehandeld heeft in strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen van dat besluit. Dit betekent dat ook deze bezwaargrond geen doel treft.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter