BAC 2025-16231
Publicatiedatum 23-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 maart 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 11 november 2025
Overdracht advies aan UHT: 26 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2017.
- Op 30 april 2021 heeft UHT aangegeven dat belanghebbende op basis van de eerste lichte toets geen reden ziet voor het uitbetalen van € 30.000.
- Op 20 december 2023 heeft UHT als vooraankondiging aangegeven dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie.
- Op 3 januari 2024 heeft gemachtigde een zienswijze ingediend.
- Op 4 maart 2024 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) geoordeeld dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2010 en 2011.
- Bij beschikking van 20 maart 2024 heeft UHT besloten dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2011.
- Op 11 april 2024 heeft gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.
- Op 28 juli 2025 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 28 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de uitvoering van de KOT over de toeslagjaren 2010 en 2011 vooringenomen heeft gehandeld jegens belanghebbende. De reden is dat B/T niet kan aantonen of de uitvraagbrieven voorafgaand aan de nihil beschikkingen daadwerkelijk zijn verstuurd.
UHT stelt echter dat sprake is van ernstige onregelmatigheden waardoor belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie. Tijdens de hoorzitting heeft UHT aangegeven dat destijds sprake is geweest van een fraudemelding. Uit onderzoek van het M&O bureau van B/T bij de kinderopvanginstelling bleek toen dat geen opvang werd afgenomen. Om die reden is de KOT destijds stopgezet en teruggevorderd en komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. UHT stelt voorts dat belanghebbende in de toeslagjaren 2010 en 2011 een uitkering ontving op grond van de Wet werk en bijstand, terwijl niet vast is komen te staan dat belanghebbende voldeed aan de voorwaarden voor aanspraak op KOT, zoals het volgen van een re-integratietraject.
Gemachtigde stelt dat belanghebbende in deze jaren wel gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Omdat het al zo lang geleden is, zijn daar geen stukken meer van. Ten tijde van de opvang, deed belanghebbende vrijwilligerswerk in opdracht van de gemeente. Ook hier zijn door tijdsverloop geen stukken meer van.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt volgens de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.
Uit het bezwaardossier blijkt dat volgens correspondentie van het fraudeteam van B/T in de toeslagjaren 2010 en 2011 geheel geen kinderopvang te zijn afgenomen. Voorts blijkt uit het dossier dat belanghebbende in de toeslagjaren 2010 en 2011 een uitkering ontving op grond van de Wet werk en bijstand, terwijl niet vast is komen te staan dat belanghebbende voldeed aan de voorwaarden voor aanspraak op KOT, zoals het volgen van een re-integratietraject. Belanghebbende heeft in het kader van deze bezwaarprocedure verklaard dat in de toeslagjaren 2010 tot en met 2011 sprake is geweest van kinderopvang, maar heeft dat niet met objectief verifieerbare stukken onderbouwd. Er zijn bijvoorbeeld geen jaaropgaves of bankoverschrijvingen overgelegd. Ook is niet gebleken dat belanghebbende naar aanleiding van de nihil stellingen heeft gecorrespondeerd met B/T. Nu geen concrete aanknopingspunten zijn aangedragen die duiden op een afname van gekwalificeerde kinderopvang, is de stelling van UHT dat daarvan geen sprake is, aannemelijk.
Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het advies van de CvW en het standpunt van UHT onjuist te achten. De Commissie heeft geen enkel aanknopingspunt gevonden om hier het standpunt van belanghebbende te volgen. De Commissie is verder van oordeel dat met het schriftelijke verweer, hetgeen besproken is ter hoorzitting en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand gekomen. De Commissie acht het bezwaar ongegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar ongegrond acht, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter