BAC 2025-16229
Publicatiedatum 13-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 25 maart 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 12 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 20 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 1 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2017 tot en met 2020. UHT heeft een herbeoordeling uitgevoerd over de toeslagjaren 2018 en 2019.
- UHT heeft bij besluit van 20 mei 2022 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 29 maart 2024, ingekomen op 2 april 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 1 april 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 28 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft per e-mailbericht van 9 januari 2026 nadere stukken ingediend.
- Op 12 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan het advies is gehecht.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, heeft UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2018 en 2019
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2018 en 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen van de KOT over deze jaren waren gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend.
De KOT over het toeslagjaar 2018 is verlaagd door een wijziging in het aantal afgenomen opvanguren. De KOT is op grond van het door belanghebbende overgelegde antwoordformulier en de jaaropgave vastgesteld.
Met betrekking tot het toeslagjaar 2019 heeft belanghebbende aangevoerd dat de terugvordering het gevolg was van een niet aan haar gemelde verlaging van het uurtarief.
De eerste verlaging van de KOT over het toeslagjaar 2019 was het gevolg van de stopzetting van de KOT door belanghebbende op 6 maart 2019 per 1 april 2019 voor de dagopvang van haar oudste kind. Dat kind werd op 4 april 2015 vier jaar oud en kwam daarom niet meer in aanmerking voor KOT wegens dagopvang. Belanghebbende heeft vervolgens KOT aangevraagd voor de buitenschoolse opvang voor dit kind per 1 juni 2019. B/T heeft bij de toekenning in plaats van het uurtarief uit de aanvraag het lagere maximale uurtarief toegepast, zoals dat gold volgens de wettelijke regeling. Er was voor B/T geen aanleiding hierover eerst contact op te nemen met belanghebbende.
De tweede verlaging van de KOT over het toeslagjaar 2019 vond plaats ná 23 oktober 2019. De herstelregelingen zijn niet van toepassing op handelingen van B/T vanaf 23 oktober 2019, tenzij een causaal verband bestaat tussen die handelingen en het vooringenomen handelen door B/T van vóór die datum. Dat laatste is niet het geval. In de definitieve beschikking is de KOT verlaagd door een stijging van het toetsingsinkomen en een wijziging in het aantal opvanguren. De KOT is in overeenstemming met de door belanghebbende overgelegde jaaropgaven vastgesteld.
De voorschotten over de toeslagjaren 2018 en 2019 zijn dus door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen sprake van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS), zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2020 en verder
Volgens artikel 2.1 lid 1 van de Wht wordt compensatie toegekend aan aanvragers die gedupeerd zijn door institutionele vooringenomenheid of door de hardheid van de toepassing die vóór 23 oktober 2019 aan het wettelijke systeem werd gegeven.
De Commissie begrijpt dat belanghebbende met betrekking tot de KOT over de afgelopen jaren problemen heeft ondervonden, voornamelijk sinds de vader van haar kinderen niet meer in Nederland woont. De Commissie betreurt deze situatie, maar zij ziet, gelet op het voorgaande, in de gegeven omstandigheden geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de beslissingen die B/T ná 23 oktober 2019 heeft genomen ten aanzien van het recht op KOT voor de toeslagjaren 2020 en verder, verband houden met vooringenomen handelen of hardheid van vóór die datum. De Commissie is daarom van oordeel dat het niet binnen haar bevoegdheid valt om over deze jaren te adviseren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om:
- het bestreden besluit in stand te laten;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter