Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16222

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 20 oktober 2023 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 17 december 2025

Overdracht advies aan UHT: 22 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €5.882,- voor het jaar 2012 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2011, 2013 en 2014. Voor de jaren 2011 en 2013 is tegemoetkoming wegens O/GS toegekend voor een bedrag van €1.277,-.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 4 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2014.
  • UHT heeft bij besluit van 21 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de jaren 2010, 2011, 2013 en 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging op 6 september 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €5.866,-. Voor de jaren 2010, 2011, 2013 en 2014 is geen compensatie toegekend.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 20 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €5.882,-. Voor de jaren 2010, 2011, 2013 en 2014 is geen compensatie toegekend. Voor de jaren 2011 en 2013 is een tegemoetkoming toegekend wegens O/GS van €1.277,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 19 januari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 oktober 2024, ingekomen op 17 oktober 2024, het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 13 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 12 november 2025, ingekomen op 13 november 2025, het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 15 december 2025 schriftelijk gereageerd op het aanvullend bezwaarschrift.
  • Op 17 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 22 december 2025 een aanvullende beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft op 22 december 2025 laten weten af te zien van een schriftelijke reactie op de aanvullende beschouwing.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2012 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010, 2011, 2013 en 2014 af te wijzen.

Opvang vóór september 2010 (januari tot en met augustus 2010)

Belanghebbende stelt dat op grond van het RKT-bestand (productie 1210011, p. 192) onduidelijk is of er vóór september 2010 opvang is afgenomen.

UHT verklaart dat hoewel in het RKT-bestand mogelijk kan worden gelezen dat er opvang was met als einddatum 31 augustus 2010, er geen indicaties zijn dat er daadwerkelijk opvang is afgenomen. Zij wijst er in dit verband ook op dat de aanvraag met ingangsdatum 1 september 2010 staat dat de kinderopvanginstelling l[naam] was, terwijl later bleek – zie de KOI-viewer, dossierstuk 1210009 en 12100010- dat feitelijk opvang bij [naam] was afgenomen.

De Commissie acht het onvoldoende aannemelijk dat er vóór september 2010 opvang is afgenomen. Enkel de onvolledig ingevulde tabel in het RKT-bestand biedt onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat in die periode daadwerkelijk opvang is afgenomen. Ook ter zitting is geen nader aanknopingspunt voor deze stelling aangevoerd. Dit onderdeel van het bezwaar treft derhalve geen doel.

Tussen partijen is voorts in geschil de vraag of Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) een maximum uurtarief mocht toepassen. Ter zitting heeft gemachtigde hierover verklaard dat hij het eens is met hetgeen hierover in de beschouwing staat. De Commissie stelt onder verwijzing naar artikel 4, eerste lid, sub c van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang, dat in het jaar 2010 de maximum uurprijs voor gastouderopvang € 5,00 bedraagt. Dit onderdeel van het bezwaar treft derhalve ook geen doel.

KOT-verlagingen op basis van KOI-viewer (toeslagjaren 2010, 2012 en 2013)

Belanghebbende betoogt dat de KOT-verlagingen in de toeslagjaren 2010, 2012 en 2013 op grond van de KOI-viewer vooringenomen waren. Belanghebbende is door B/T onvoldoende in de gelegenheid gesteld om haar recht op kinderopvang aan te tonen. In toeslagjaar 2012 blijkt er onbetrouwbare informatie in de KOI-viewer te staan (de maanden januari tot en met maart ontbreken onterecht in de definitieve beschikking), mede hierom betwist belanghebbende of KOT enkel op grond van de informatie uit de KOI-viewer mag worden verlaagd.

UHT stelt hiertegenover dat de neerwaartse bijstelling voor de KOT in toeslagjaar 2010 op 29 september 2011 op grond van de KOI-viewer (productie 1210009, p. 187) niet vooringenomen was en dat B/T niet hoefde te twijfelen aan de juistheid van de gegevens. De opvanguren zijn verlaagd van 114 naar 80 uur en de periode bleef gelijk, daarnaast was er geen indicatie dat er opvang zou zijn afgenomen bij een tweede KOI.

Voor toeslagjaar 2012 is naar aanleiding van uitvraag bij belanghebbende op grond van de door belanghebbende aangeleverde jaaropgaaf (productie 2700110, p. 409) de KOT aangepast. De jaaropgaaf kwam niet overeen met de KOI-viewer, waarin twee gastouderbureaus zijn opgenomen. In het geval dat de KOI-viewer niet overeenkomt met informatie zoals aangeleverd door belanghebbende, houdt B/T de informatie van belanghebbende aan. Dat is niet vooringenomen, maar pakt onevenredig hard uit, daarom is aan belanghebbende compensatie wegens hardheid toegekend. In de aanvullende beschouwing van 22 december 2025 herziet UHT haar standpunt. Zij stelt dat er onvoldoende is uitgevraagd en dat er gecompenseerd dient te worden op grond van vooringenomenheid. Er had een tweede keer uitvraag dienen te worden gedaan, waarin specifiek moest zijn aangegeven dat de jaaropgave van gastouder [naam] nog ontbrak (productie 1212007, p. 245, productie 1212012, p. 257 en 2700110, p. 407). Het is aannemelijk dat er opvang was afgenomen in de maanden januari tot en met maart, omdat belanghebbende destijds studeerde en haar toeslagpartner werkte. De wijziging in de kwalificatie van hardheid naar vooringenomenheid heeft echter geen gevolgen voor de hoogte van de compensatie, aldus nog steeds UHT.

Over toeslagjaar 2013 werd de KOT neerwaarts bijgesteld op 29 mei 2015 op grond van informatie uit de KOI-viewer (productie 1213007, p. 277) en een hoger toetsingsinkomen. Het aantal opvanguren werd verlaagd naar 49 uren in plaats van 83, de periode bleef gelijk en er was geen indicatie voor een tweede KOI.

De Commissie overweegt ten aanzien van toeslagjaar 2010 dat de voorschotbeschikking van 29 september 2011 is gebaseerd op de KOI-viewer. Dit kan in dit geval niet worden aangemerkt als vooringenomen handelen. Er waren destijds geen aanknopingspunten op grond waarvan B/T had moeten twijfelen aan de juistheid van de gegevens uit de KOI-viewer.

De Commissie is van oordeel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie zoals opgenomen in de KOI-viewer, tenzij er indicaties zijn die aannemelijk maken dat de gegevens in de KOI-viewer onjuist zijn.

Belanghebbende heeft geen feiten genoemd waaruit zou volgen dat de informatie uit de KOI-viewer niet correct was en ook overigens is uit het dossier niet anderszins gebleken. De Commissie is daarom van opvatting dat sprake was van een reguliere wijziging. Deze bezwaargrond treft geen doel.

De Commissie overweegt ten aanzien van toeslagjaar 2012 dat sprake is van vooringenomen handelen, aangezien onvoldoende is uitgevraagd door B/T. De Commissie neemt ten aanzien van dit onderdeel met instemming kennis van het herziene standpunt van UHT en adviseert deze bezwaargrond daarom gegrond te verklaren.

De Commissie overweegt ten aanzien van toeslagjaar 2013 dat de forse neerwaartse bijstelling (bijna €2.000,-) in de beschikking van 29 mei 2015 was gebaseerd op informatie uit de KOI-viewer. B/T had gezien de substantiële verlaging van de KOT niet enkel mogen afgaan op informatie uit de KOI-viewer, maar had eerst uitvraag moeten doen bij belanghebbende. De Commissie overweegt dat dat B/T in redelijkheid wel had moeten twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de KOI-gegevens. Hierbij merkt de Commissie op dat in de beschikking van voormelde datum niet kenbaar is gemaakt op basis van welke gegevens de KOT is aangepast (productie 1213007, p. 277).

Belanghebbende kon op basis van die beschikking niet afleiden waarom de KOT werd verlaagd. Belanghebbende komt daarom in aanmerking voor compensatie op grond van artikel 2.1, lid 1 en onder a, van de Wht wegens vooringenomenheid.

De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen voor het jaar 2013.

Rentevergoeding toeslagjaar 2012

Belanghebbende stelt dat de rentevergoeding in toeslagjaar 2012 € 895,- dient te bedragen in plaats van € 892,-.

UHT is het eens met belanghebbende. Component O (de rentevergoeding voor gemiste KOT) is onjuist vastgesteld wegens een onjuist gehanteerde einddatum.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • Voor het toeslagjaar 2012 de grond voor compensatie te wijzigen in vooringenomen handelen;
  • Voor het toeslagjaar 2012 de rentevergoeding aan te passen;
  • Voor het toeslagjaar 2013 aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter