BAC 2025-16208
Publicatiedatum 14-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 7 mei 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 20 april 2026
Overdracht advies aan UHT: 28 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bestreden besluit op onderdelen te herroepen, compensatie toe te kennen met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag. Dit besluit wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 2 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2019. UHT heeft de toeslagjaren 2018 en 2019 opnieuw beoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 14 april 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-, in het kader van de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 april 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2018 en 2019.
- UHT heeft bij het voorlopige besluit van 15 februari 2024 geen compensatie toegekend voor de jaren 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft een zienswijze ingediend tegen het voorlopige besluit van
15 februari 2024. - UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 14 juni 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 12 augustus 2025 (met een ‘beschouwing’) schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 20 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2018 en 2019 af te wijzen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende verzoekt om toezending van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder het UHT-dossier. Op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Op 20 januari 2026 zijn aan gemachtigde producties toegezonden die van belang zijn voor deze zaak. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van die stukken en ruim gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit hetgeen belanghebbende en UHT naar voren hebben gebracht blijkt niet dat er nog stukken in het dossier ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het bestreden besluit. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb.
De Commissie overweegt dat, voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gebrekkig is gemotiveerd, die gebreken zijn hersteld in de beschouwing van UHT. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. De Commissie wil nog het volgende opmerken. Bij besluit van 13 maart 2020 is het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van de KOT over 2019 gegrond verklaard naar aanleiding van haar bezwaarschrift van 18 maart 2019. Bij dat bezwaarschrift behoorde een bijlage met een verklaring van een belastingadviseur. Die bijlage zat niet in het ouderdossier en de Commissie heeft die bijlage zelf moeten opvragen. UHT heeft ter zitting verklaard dat dit door een vergissing heeft kunnen gebeuren.
Dit onderstreept wel het belang van de compleetheid van het dossier.
Zienswijze van belanghebbende
Belanghebbende stelt dat haar zienswijze niet met zorgvuldigheid is gelezen en beoordeeld. De Commissie overweegt dat belanghebbende in deze bezwaar-procedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en van bewijsstukken te voorzien. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Eerste toets
Tegen het besluit van 14 april 2022 dat op grond van de eerste toets is genomen, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt bij brief van 25 mei 2022. Tijdens de bezwaarprocedure heeft UHT op 7 mei 2024 een beslissing genomen op grond van de integrale beoordeling. De Commissie zal, rekening houdend met de aard en de strekking van de Wht en met toepassing van artikel 6:19 Awb, het bezwaarschrift tegen het besluit van 14 april 2022 opvatten als een bezwaar dat ook is gericht tegen het besluit van 7 mei 2024. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2018
Gelet op artikel 2.1 lid 1 Wht, ziet de onderhavige bezwaarprocedure uitsluitend op de vraag of vóór 23 oktober 2019 vooringenomen handelen dan wel hardheid van toepassing was. De bezwaargrond van belanghebbende ten aanzien van het toeslagjaar 2018 kan niet tot het gewenste resultaat leiden, nu deze grond betrekking heeft op het definitieve besluit van 17 juli 2020 (toeslagjaar 2018) en daarom buiten de reikwijdte van de Wht valt. Niet aannemelijk is geworden dat de verlaging van de KOT verband houdt met vooringenomen handelen vóór
23 oktober 2019. De KOT is namelijk door de
B/T verlaagd als gevolg van een gewijzigd toetsingsinkomen van belanghebbende. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2019
Ingevolge artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege in geval van ernstige onregelmatig-heden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Bij besluit van 21 augustus 2019 is de KOT voor het jaar 2019 op nihil gesteld omdat niet was gebleken dat de toeslagpartner van belanghebbende inkomsten uit werkzaam-heden had of een ‘doelgroeper’ was. De B/T heeft enkel op basis van een interne notitie van het telefoongesprek van 11 juli 2019, met een waarnemer van de destijds afwezige belastingadviseur van haar toeslagpartner, de conclusie getrokken dat de toeslagpartner geen inkomen uit werk of als zelfstandige had en geen ‘doelgroeper’ was. Uit niets blijkt dat – en hoe – de medewerker van de B/T die het telefoongesprek heeft gevoerd, heeft vastgesteld dat zijn of haar gesprekspartner kon optreden namens belanghebbende. De Commissie is van oordeel dat de B/T niet alleen mocht afgaan op de in het telefoongesprek van
11 juli 2019 door de waarnemer van de belastingadviseur verstrekte informatie dat de toeslagpartner niet tot een doelgroep hoorde en dat geen gewerkte uren konden worden aangetoond. De B/T had daarover meer moeten uitvragen. Dat de B/T bij de beslissing op bezwaar van 3 februari 2020 alsnog KOT voor het jaar 2019 (1 januari tot en met 30 april) heeft toegekend, maakt dat niet anders. Uit die beslissing op bezwaar moet immers juist worden afgeleid dat B/T niet van de juistheid van de van dat gesprek gemaakte telefoonnotitie kon en mocht uitgaan.
Concluderend is de Commissie van oordeel dat UHT aan belanghebbende alsnog een compensatie op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht voor het jaar 2019 moet toekennen. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
De KOT is vervolgens verlaagd met het besluit van 7 augustus 2021. Gelet op artikel 2.1 lid 1 Wht ziet de onderhavige bezwaarprocedure uitsluitend op de vraag of vóór 23 oktober 2019 vooringenomen handelen dan wel hardheid van toepassing was. De bezwaargrond van belanghebbende ten aanzien van het toeslagjaar 2019 kan, voor wat betreft deze verlaging, niet tot het gewenste resultaat leiden, nu deze grond betrekking heeft op het definitieve besluit van
7 augustus 2021 (toeslagjaar 2019) en daarom buiten de reikwijdte van de Wht valt. Niet aannemelijk is geworden dat de verlaging van de KOT verband houdt met vooringenomen handelen vóór 23 oktober 2019. De KOT is namelijk door de B/T verlaagd als gevolg van een gewijzigd toetsingsinkomen. In dit toeslagjaar heeft een verlaging van de KOT van € 1.500,- of meer plaatsgevonden. De KOT is aan belanghebbende betaald en daarom doet zich niet het geval voor dat aan de kinderopvanginstelling te veel betaalde KOT wordt teruggevorderd bij belanghebbende. Daarmee bestaat geen aanspraak op toepassing van de hardheidsregeling. De Commissie stelt vast dat er geen onterechte kwalificatie wegens opzet of grove schuld (O/GS) is geweest. Belanghebbende komt daarom niet in aanmerking voor een O/GStegemoetkoming. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren, voor zover wordt geklaagd over de inhoud van de beschikking van 7 augustus 2021.
Proceskosten
Omdat het bestreden besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een vaste (“forfaitaire”) vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
De Commissie adviseert om het bezwaar gegrond te verklaren. Ook adviseert de Commissie om belanghebbende een forfaitaire vergoeding, zoals hierboven is omschreven, toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter