BAC 2025-16206
Publicatiedatum 14-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 29 april 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 25 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 23 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 55.579,- voor de jaren 2007, 2009, 2012, 2013, januari tot en met november 2014 en 2015 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2008, 2010, 2011 en de maand december 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 15 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft het verzoek van belanghebbende op zowel 14 juni 2023 als 10 augustus 2023 beoordeeld. CvW heeft beide keren geadviseerd dat voor de jaren 2008, 2010 en 2011 geen herstelregeling van toepassing is. In het advies van 10 augustus 2023 heeft CvW hieraan toegevoegd dat ook voor de maand december 2014 geen herstelregeling van toepassing is.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 55.579,- voor de jaren 2007, 2009, 2012, 2013, januari tot en met november 2014 en 2015 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2008, 2010, 2011 en de maand december 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 7 juni 2024, ingekomen op 10 juni 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 7 mei 2025 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 5 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 25 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting in de gelegenheid gesteld, op 7 april 2026 een aanvullend bezwaarschrift ingediend. UHT heeft daar met een aanvullende beschouwing van 9 april 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Gelet op de aangevoerde bezwaargronden ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie over toeslagjaar 2008 af te wijzen.
Toeslagjaar 2008
Belanghebbende voert aan dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) ten onrechte heeft aangenomen dat zij een toeslagpartner had in 2008. De persoon die als toeslagpartner werd aangemerkt is de vader van de kinderen van belanghebbende. Zij stonden in 2008 op hetzelfde adres ingeschreven, maar daarbij was sprake van een zakelijke huurrelatie. Zij hadden geen gezamenlijke huishouding; belanghebbende droeg zelfstandig de zorg voor de kinderen.
Aan belanghebbende is telefonisch medegedeeld dat zij in deze omstandigheden recht had op KOT. Tijdens de hoorzitting en bij aanvullend bezwaarschrift van
7 april 2026 heeft belanghebbende nader gesteld dat hoewel zij in 2008 op hetzelfde adres als de vader van haar kinderen stond ingeschreven, zij feitelijk in een crisisopvang verbleef.
Doordat het inkomen van de toeslagpartner bij de definitieve beschikking ondanks deze omstandigheden is meegewogen maakte belanghebbende aanspraak op een lager bedrag aan KOT dan bij voorschot was toegekend. B/T heeft een bedrag van € 2.172,- teruggevorderd. Belanghebbende stelt hierom in aanmerking te komen voor een compensatie op grond van hardheid.
UHT heeft bij aanvullende beschouwing van 9 april 2026 toegelicht waarom zij niet volgt dat belanghebbende in 2008 in een crisisopvang woonde. UHT verwijst hierbij naar de door belanghebbende ingebrachte e-mailberichten van februari 2009 en concludeert dat belanghebbende pas op 17 februari 2009 contact heeft opgenomen met een vrouwenopvang en daar vanaf 27 februari 2009 daadwerkelijk verbleef. UHT neemt daarom aan dat belanghebbende in het jaar 2008 feitelijk bij de vader van haar kinderen inwoonde.
De Commissie stelt voorop dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-besluiten.
De Commissie is van mening dat er geen aanwijzingen zijn dat B/T vooringenomen heeft gehandeld jegens belanghebbende. B/T heeft bij haar besluit van 13 oktober 2010 en het besluit op bezwaar van 26 januari 2011 uitvoering gegeven aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), dat destijds bepaalde dat personen die op hetzelfde woonadres ingeschreven stonden en uit wiens relatie een kind was geboren, als toeslagpartners werden aangemerkt. De Awir voorzag op dat moment niet in een uitzondering voor personen die een zakelijke huurrelatie met elkaar hebben.
Die uitzondering is sinds 1 januari 2013 geregeld in de Awir. Dat de feitelijke woonsituatie anders zou zijn dan uit de gemeentelijke basisregistratie volgde is naar het oordeel van de Commissie niet gebleken en kan reeds daarom niet tot een andere conclusie leiden.
Voor zover belanghebbende een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, meent de Commissie dat dit niet slaagt. Het vertrouwensbeginsel houdt in dat gerechtvaardigde verwachtingen die de overheid (in dit geval B/T) bij een burger wekt, in beginsel moeten worden nagekomen. Hiervoor moet sprake zijn van een concrete toezegging, standpuntbepaling of gedraging waaraan verwachtingen kunnen worden ontleend. De door belanghebbende gestelde toezegging door B/T is niet aannemelijk geworden. Van bijzondere omstandigheden die recht geven op een hardheidscompensatie is naar het oordeel van de Commissie evenmin gebleken. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening jaren 2007, 2009, 2012 t/m 2015
UHT heeft in de bijlage bij haar beschouwing toegelicht dat (in het voordeel van belanghebbende) onjuiste bedragen zijn opgenomen onder de componenten a t/m f, te weten de grondslag van de compensatie als bedoeld in artikel 2.2, sub a, van de Wht, en componenten h (vergoeding voor materiële schade) en o (rentevergoeding over gemiste KOT).
De Commissie neemt met instemming kennis van het voornemen van UHT om de gehanteerde bedragen in stand te houden, nu een correctie daarvan in het nadeel van belanghebbende zou zijn. Belanghebbende mag er door het instellen van bezwaar namelijk niet slechter voor komen te staan dan het geval was in het bestreden besluit (verbod van reformatio in peius).
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter