BAC 2025-16197
Publicatiedatum 16-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 14 december 2023 (kenmerk UHT-DCH)
Hoorzitting: 7 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 4 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 14 december 2023, kenmerk UHT-DCH, (bestreden besluit).
Aan belanghebbende is hierin met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 16.090,-, aangevuld tot € 30.000,-, voor het jaar 2006 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2007, 2008 en 2009.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 27 oktober 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). UHT heeft de jaren 2005 tot en met 2009 betrokken in de herbeoordeling.
- UHT heeft bij besluiten van 5 mei 2022 en 23 mei 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 13 oktober 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2005, 2007, 2008 en 2009 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 16.090,- voor het jaar 2006 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2007, 2008 en 2009.
- Gemachtigde heeft bij brief van 29 december 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 31 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 30 december 2025, 2 januari 2026 en 6 januari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 7 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 27 januari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 27 januari 2026 op gereageerd. UHT heeft op 3 februari 2026 nader gereageerd op de vragen van gemachtigde.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gelet op de aangevoerde bezwaargronden gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2006 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2005 af te wijzen.
Afwijzing compensatie toeslagjaar 2005
Vooringenomenheid en hardheid
Belanghebbende voert voor het toeslagjaar 2005 in de eerste plaats aan dat zij in aanmerking komt voor compensatie omdat zij haar aanvraag per 23 maart 2005 heeft ingediend, maar de KOT pas vanaf juli 2005 aan haar is toegekend.
UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat voor zover vertraging is opgetreden in het verwerken van de aanvraag, dit niet het gevolg is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (B/T).
De Commissie stelt voorop dat de Wht, en daarmee deze bezwaarprocedure, geen ruimte biedt voor het herzien van in het verleden afgegeven KOT-beschikkingen. De werking van de Wht beperkt zich, voor zover hier van belang, tot de beoordeling of recht bestaat op compensatie voor de daarin genoemde schadeoorzaken.
Dit betekent dat de Commissie zich in deze bezwaarprocedure voor de vraag gesteld ziet of voor het toeslagjaar 2005 sprake is geweest van vooringenomen handelen of hardheid van het wettelijke systeem.
Uit de notitie van een terugbelverzoek van 9 mei 2005 volgt dat de B/T op
23 maart 2005 een aanvraagformulier had ontvangen waarin de opvanguren niet leesbaar waren (productie 1205002). Belanghebbende heeft in het ouderverhaal verklaard dat haar kinderen een gedeelte van het jaar 2005 naar de opvang zijn gegaan en dat zij een ander gedeelte van het jaar door familie werden opgevangen of meegingen naar het werk van belanghebbende (productie 0200001).
Het dossier bevat verder geen andere informatie over de daadwerkelijk genoten opvang. Per wanneer belanghebbende KOT heeft aangevraagd dan wel heeft willen aanvragen, is uit de voorhanden informatie niet duidelijk geworden.
Uit het betaal- en verrekenoverzicht volgt dat aan belanghebbende in de periode juli tot en met december 2005 nagenoeg gelijke voorschotbetalingen KOT zijn gedaan (productie 2700003). Dit maakt aannemelijk dat de KOT is toegekend voor de maanden juli tot en met december 2005.
In het voorgaande ziet de Commissie onvoldoende aanknopingspunt voor de conclusie dat B/T bij het verwerken van de aanvraag van KOT voor 2005 vooringenomen heeft gehandeld. Weliswaar is aannemelijk dat er met enige vertraging is beslist, maar dat is in ieder geval ten dele te verklaren door het feit B/T in mei 2005 had geconstateerd dat het formulier van 23 maart 2005 ontoereikend was om op te beslissen en nadere informatie van belanghebbende nodig was. Indien en voor zover de KOT voor een kortere periode is toegekend dan de bedoeling van belanghebbende is geweest, ziet de Commissie geen reden om aan te nemen dat dit is voortgekomen uit een vooringenomen handelwijze door B/T. Van bijzondere omstandigheden die recht geven op een hardheidscompensatie is naar het oordeel van de Commissie evenmin gebleken. Het bezwaar treft daarom in zoverre geen doel.
O/GS-tegemoetkoming
Belanghebbende voert aan dat UHT onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij tot de conclusie is gekomen dat aan belanghebbende niet de kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS) is gegeven. Belanghebbende wijst in dit verband op haar verzoek om een betalingsregeling dat zij op 13 oktober 2006 heeft gedaan voor de terugvordering van KOT over toeslagjaar 2005 (productie 1205004).
UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de voorhanden informatie niet volgt dat belanghebbende een betalingsregeling is onthouden en dat zij daarom niet in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming.
De Commissie overweegt als volgt. Belanghebbende heeft op 13 oktober 2006 naar aanleiding van beschikking T.05.1011 verzocht om een betalingsregeling.
Zij heeft in dat verzoek concreet gemaakt welk bedrag zij in verband met andere schulden maandelijks kan aflossen, te weten € 50,- (productie 1205004). Daarmee staat volgens de Commissie vast dat belanghebbende voor deze terugvordering om een persoonlijke betalingsregeling heeft verzocht.
In het betaal- en verrekenoverzicht is te zien dat het bedrag van € 961,- op 25 juni 2006, met een rente van € 29,-, is verrekend onder het kenmerk inkomensheffing 2006 (productie 2700003).
UHT heeft een brief van 1 november 2006 overgelegd waarin uitstel van betaling wordt verleend onder de voorwaarde van een maandelijkse betaling. In deze brief wordt echter geen (maand)bedrag of beschikkingsnummer genoemd.
Belanghebbende heeft verder gewezen op een e-mailbericht van 11 november 2007, waarin zij aan haar adviseur meldt dat een verzoek om een betalingsregeling is afgewezen.
Op 29 mei 2009 volgde een tweede terugvorderingsbeschikking over 2005, met kenmerk T.56.1021. Belanghebbende betaalt het daarin genoemde bedrag van
€ 609,- vanaf juli 2009 in maandelijkse termijnen terug (productie 2700003). In haar aanvullende beschouwing wijst UHT op deze kennelijke betalingsregeling, maar gaat er daarbij volgens de Commissie aan voorbij dat deze betalingsregeling een andere terugvordering betrof dan de terugvordering waar het verzoek van belanghebbende van 13 oktober 2006 op zag.
Gelet op de voorgaande informatie is de Commissie van mening dat UHT haar uiteindelijke conclusie dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming over 2005, onvoldoende heeft gemotiveerd. Dat in de systemen verder geen informatie is gevonden doet daar niet aan af. In het licht van wat wel aanwezig is aan informatie over 2005 is merkwaardig dat kennelijk geen gehoor is gegeven aan het verzoek van belanghebbende van 13 oktober 2006.
Dat leidt de Commissie tot de conclusie dat voor 2005 een vergoeding behoort te worden verstrekt wegens het niet treffen van een betalingsregeling.
De Commissie wijst er hierbij op dat in situaties als hier aan de orde bij enige twijfel of artikel 2.6 van de Wht naar de letter van toepassing is, eerder een rechtvaardiging voor tegemoetkoming is gevonden in artikel 9.1 van de Wht.
De Commissie wijst op het Advies in BAC 2022-10406 van 26 april 2024, dat in de beslissing op bezwaar van 21 maart 2025 is gevolgd.
Voor zover belanghebbende heeft bedoeld aan te voeren dat zij ook voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2009 in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming, merkt de Commissie op dat zij, gelet op de betaal- en verrekenoverzichten en de overige aanwezige informatie over deze jaren geen aanknopingspunt heeft gevonden om dit te adviseren.
Toegekende compensatie 2006
Grondslag compensatie
Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een compensatie voor vooringenomen handelen toegekend. Dit vooringenomen handelen was gelegen in het zodanig laat toekennen van de KOT voor 2006, dat belanghebbende in betalingsproblemen is gekomen.
UHT heeft de grondslag van de compensatie voor toeslagjaar 2006, als bepaald in artikel artikel 2.2, onderdeel a, van de Wht, gelezen in samenhang met artikel 2.3, lid 1, van de Wht, vastgesteld op het bedrag dat bij definitieve beschikking van
8 april 2008 aan belanghebbende is toegekend over de periode 2 januari tot en met 30 juni 2006. Deze periode van opvang komt overeen met de informatie die belanghebbende bij antwoordformulier van 20 augustus 2007 aan B/T heeft toegezonden (productie 1206014).
Belanghebbende voert aan dat haar ook een compensatie toekomt over het gedeelte van het jaar 2006 waarin zij door de betalingsproblemen geen opvang heeft kunnen afnemen, te weten de maanden juli tot en met december 2006.
De Commissie stelt voorop dat de huidige procedure ziet op standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijk geleden schade. Zij is van opvatting dat UHT in de forfaitaire compensatie terecht heeft aangesloten bij de hoogte van de KOT die aan belanghebbende is toegekend over de periode waarin belanghebbende gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. De Commissie ziet geen ruimte om in deze procedure te adviseren een hogere compensatie toe te kennen. Voor een verzoek om vergoeding van de werkelijk geleden schade, waaronder bijvoorbeeld eventuele kosten voor vervangende opvang of inkomstenverlies, kan belanghebbende zich wenden tot één van de aanvullende schaderoutes.
Vergoeding voor immateriële schade
In het bestreden besluit heeft UHT de vergoeding voor immateriële schade berekend vanaf de datum 13 maart 2007. Op de hoorzitting zijn partijen tot overeenstemming gekomen dat dit een fout betreft en dat de startdatum van de vergoeding voor immateriële schade gewijzigd moet worden naar 1 juli 2006.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en adviseert UHT dienovereenkomstig.
Rentevergoeding over gemiste KOT
UHT heeft geconstateerd dat de rente over gemiste KOT over het jaar 2006 te laag is vastgesteld, nu deze over een te kort tijdvak is berekend. UHT zal deze component van de compensatie corrigeren in de beslissing op bezwaar.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en adviseert dienovereenkomstig.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toe te kennen voor toeslagjaar 2005;
- de vergoeding van immateriële schade opnieuw te berekenen met startdatum
1 juli 2006; - de rentevergoeding over gemiste KOT te corrigeren conform de beschouwing van UHT van 31 juli 2025;
- het bezwaar op de overige onderdelen ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter