BAC 2025-16196
Publicatiedatum 02-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 november 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 13 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 4 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie om het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 16 november 2023 met het kenmerk UHT-DCH (hierna de bestreden beschikking).
In de bestreden beschikking is belanghebbende een compensatie toegekend van €44.855 voor de toeslagjaren 2008, 2009 en 2011 op grond van vooringenomen handelen van Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Voor de toeslagjaren 2010 en 2019 heeft UHT aangegeven dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie op grond van een herstelregeling.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- UHT heeft bij beschikking van 4 november 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen heeft op 23 augustus 2023 een advies uitgebracht.
Zij heeft hierin aangegeven dat belanghebbende voor 2008, 2009 en 2011 recht heeft op compensatie. Voor de toeslagjaren 2010 en 2019 heeft belanghebbende geen recht op compensatie. - UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 44.461. Er is sprake van vooringenomen handelen over de toeslagjaren 2008, 2009 en 2011.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 44.855 voor de toeslagjaren 2008, 2009 en 2011. Voor de toeslagjaren 2010 en 2019 heeft belanghebbende geen recht op compensatie op grond van een herstelregeling.
- Gemachtigde heeft bij brief van 21 december 2023, ingekomen op 21 december 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 18 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 13 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende stelt dat zij niet de beschikking heeft over alle benodigde informatie om het bestreden besluit te kunnen controleren.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De Commissie stelt vast dat het ouderdossier op 25 juli 2024 aan gemachtigde is verzonden.
Ook zijn de schriftelijke reactie en de stukken die daaraan ten grondslag liggen aan gemachtigde toegezonden.
De Commissie is van oordeel dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan belanghebbende ter beschikking te stellen.
Tijdens de hoorzitting is gebleken dat er verwarring is ontstaan aangezien de productienummers in de schriftelijke beschouwing foutief vermeld zijn. UHT heeft hier tijdens de zitting een nadere toelichting op gegeven en heeft op de door gemachtigde gestelde punten een verduidelijking gegeven.
De Commissie overweegt dat zij de verwarring omtrent de productienummers kan begrijpen, maar dit leidt niet tot een andere conclusie dan dat aan belang-hebbende de relevante stukken zijn verstrekt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatie berekening toeslagjaren 2008, 2009 en 2011
Belanghebbende stelt dat de compensatieberekening over de toeslagjaren 2008, 2009 en 2011 niet correct is.
De Commissie overweegt dat gebleken is dat component ‘o’ voor de toeslagjaren 2008, 2009 en 2011 niet correct is opgenomen in de compensatieberekening. Echter zijn de bedragen in het voordeel van belanghebbende berekend en een aanpassing hiervan betekent dat belanghebbende in een nadeliger positie raakt. Gelet op het uit artikel 7:11 van de Awb voortvloeiende verbod van reformatio in peius mag het indienen van een bezwaarschrift er niet toe leiden dat de indiener via de heroverweging door het bestuur in een slechtere positie geraakt, dan zonder de bezwaarprocedure het geval zou zijn. De Commissie adviseert om deze reden de bedragen niet ten nadele van belanghebbende aan te passen en de compensatie-berekening in stand te laten. De Commissie ziet in het bezwaar geen aanknopings-punten om te veronderstellen dat de compensatieberekening voor het overige niet correct is. Hierbij neemt zij in aanmerking dat UHT een uitgebreide uitleg per component in de schriftelijke beschouwing heeft gegeven. De Commissie onderschrijft deze toelichting. Zij adviseert om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt dat zij over toeslagjaar 2010 recht heeft op compensatie.
De Commissie stelt vast dat uit de stukken in het dossier blijkt dat belanghebbende de KOT op 4 januari 2010 heeft stopgezet per 1 maart 2010. Deze wijziging is elektronisch doorgegeven (productie 1210002 op pagina 387). Om deze reden is de KOT verlaagd. Vervolgens heeft belanghebbende op 6 juli 2010 opnieuw KOT aangevraagd met ingang van 7 juli 2010 (productie 1210004 op pagina 391). Hiervan heeft belanghebbende een voorschotbeschikking ontvangen. De KOT over deze periode is uiteindelijk neerwaarts gecorrigeerd naar aanleiding van de door belanghebbende ingestuurde jaaropgave (pagina 415).
Gelet op het voorgaande overweegt de Commissie dat het niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2010 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over 2010 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
Het bezwaar geeft geen aanleiding om aan te nemen dat de XML-bestanden in het dossier onjuist zijn. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook geen aanspraak voor compensatie hiervoor kan worden gemaakt. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Tijdens de hoorzitting is namens belanghebbende gesteld dat er 33 uur per week aan opvang is afgenomen. De informatie in het dossier waaruit volgt dat er 39 uur opvang per maand is afgenomen, klopt niet. Belanghebbende geeft aan dat zij de elektronisch vastgelegde wijzigingen niet heeft doorgevoerd.
De Commissie overweegt dat uit het XML-bestand op pagina 597 blijkt dat belanghebbende op 26 mei 2019 het aantal opvanguren van 49 naar 39 uur per maand heeft gewijzigd. Vervolgens is er op 2 juli 2019 een nieuwe wijziging door belanghebbende doorgevoerd (zie pagina 599). Alhoewel belanghebbende deze elektronische vastgelegde wijzigingen betwist, ziet de Commissie in het bezwaar geen aanleiding om aan te nemen dat deze elektronische melding niet juist is. Hierbij neemt de Commissie in aanmerking dat uit de stukken blijkt dat het brontype ‘07’ is, hetgeen betekent dat de wijziging middels DigiD van belanghebbende is doorgevoerd.
Gelet op het voorgaande overweegt de Commissie dat het niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2019 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over 2019 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook op compensatie hiervoor geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overige bezwaren
De Commissie merkt ter volledigheid nog op dat belanghebbende heeft verzocht om een herbeoordeling over de periode 2017 tot en met 2020. Tijdens de hoorzitting is nader toegelicht dat alle onderwerpen na 23 oktober 2019 buiten de bevoegdheid van deze Commissie vallen. Dit betekent dat de bezwaren met betrekking tot toeslagjaar 2020 niet vallen binnen de reikwijdte van de hersteloperatie toeslagenaffaire. Voor de toeslagjaren 2017 en 2018 heeft UHT ter hoorzitting toegezegd dat zij deze jaren opnieuw zal laten beoordelen door de verantwoordelijke afdeling. De Commissie kan op dit punt pas adviseren als er een voor bezwaar vatbaar besluit is genomen. Zij adviseert aan UHT om haar toezegging gestand te doen. Voor het overige adviseert de Commissie het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar ongegrond is, belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van proceskosten.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter