BAC 2025-16191
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 29 november 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 4 mei 2026
Overdracht advies aan UHT: 13 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 24 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2012.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 augustus 2023 en op 10 oktober 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2012.
- Belanghebbende heeft bij brief van 29 november 2023, ingekomen op 5 december 2023, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- Gemachtigde heeft bij brief van 13 mei 2024, ingekomen op 15 mei 2024, het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 31 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 4 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Dossier
Belanghebbende verzoekt om toezending van het volledige dossier. De Commissie overweegt als volgt. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. Tijdens de hoorzitting van 4 mei 2026 is daarnaast besproken dat belanghebbende een verzoek zal indienen bij UHT voor inzage in de onderliggende O/GS-stukken. Wanneer UHT deze stukken aan belanghebbende verstrekt, vindt de Commissie dat UHT heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende stelt dat er algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, meer specifiek het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie acht het bestreden besluit hiermee zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd.
De Commissie is daarnaast van oordeel dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden. De Commissie heeft geen aanwijzingen in het dossier gevonden dat UHT handelingen heeft verricht dan wel uitlatingen heeft gedaan waaraan belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat jegens hem op een bepaalde manier zou worden gehandeld of besloten. Belanghebbende heeft ook niet geconcretiseerd welk handelen of besluiten hij van UHT mocht verwachten.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat door het handelen of besluiten van UHT het evenredigheidsbeginsel werd geschonden. Belanghebbende heeft ook niet geconcretiseerd door welk handelen of besluiten de gestelde schending heeft plaatsgevonden.
Belanghebbende wijst erop dat hij bij de integrale beoordeling geen bijstand kreeg van een gratis advocaat en hem ook niet is verteld dat dit mogelijk is. Dit is volgens belanghebbende in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheids-beginsel.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. Op 13 januari 2023 heeft belanghebbende de brochure ‘Wat gebeurt er na mijn aanmelding?’ ontvangen. In deze brochure wordt gewezen op het recht op een gratis advocaat. Ook in de brief met de voorlopige aankondiging van 7 september 2023, waarin wordt gewezen op de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen, wordt vermeld dat belanghebbende recht heeft op een gratis advocaat. Belanghebbende heeft desondanks een zienswijze ingediend zonder een advocaat in te schakelen.
De Commissie adviseert UHT de grieven in dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Rapporten
Belanghebbende stelt dat het bestreden besluit in strijd is met rapporten van verschillende commissies die zijn ingesteld naar aanleiding van de ‘kinder-toeslagenaffaire’.
Wat er van die stelling zij, de Commissie is van oordeel dat UHT haar in de wet opgedragen taak heeft vervuld. Zij heeft naar aanleiding van het herbeoordelings-verzoek van belanghebbende per toeslagjaar beoordeeld of er sprake is geweest van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie op grond van de wettelijke regeling die hiervoor in het leven is geroepen: de Wht.
Als belanghebbende het niet eens is met het bestreden besluit, kan hij daartegen in bezwaar gaan en tevens vragen om advies van de onafhankelijke Bezwaar-schriftenadviescommissie. Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van deze mogelijkheden. Hiermee is de procedure verlopen volgens het systeem van de Wht en zoals de wetgever het heeft beoogd. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Afgewezen jaren
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2010 tot en met 2012 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De KOT over de toeslagjaren is verlaagd naar aanleiding van reguliere wijzigingen. De bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie vond in het dossier geen aanwijzingen dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de onterechte aanname dat hij opzettelijk of met grove schuld onterecht KOT heeft ontvangen, zodat ook geen recht bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. Daarbij merkt de Commissie nog op dat belanghebbende in maandelijkse termijnen de terug-vorderingen heeft voldaan (zie de betaal- en verrekenoverzichten 2010, 2011 en 2012 in het dossier). De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verrekeningen
Belanghebbende stelt dat de KOT die hij moest terugbetalen na zijn stopzetting voor toeslagjaar 2012, werd verrekend met de huurtoeslag, zorgtoeslag en het kindgebonden budget. De Commissie overweegt dat uit de betaal- en verrekenoverzichten niet volgt dat de terug te betalen KOT is verrekend met andere toeslagen. In algemene zin merkt de Commissie op dat B/T bevoegd was om tot verrekeningen over te gaan. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
O/GS-stukken
Zoals hiervoor vermeld verzoekt belanghebbende om inzage in de onderliggende O/GSstukken.De Commissie stelt vast dat zich in het dossier een stuk bevindt met als conclusie dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van O/GS.
De onderliggende stukken waaruit blijkt hoe deze vaststelling tot stand is gekomen, ontbreken. De informatie op grond waarvan B/T heeft vastgesteld of belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie, maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. B/T moet daarbij toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van B/T (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over de belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, moet B/T deze vaststelling onderbouwen door bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Naar het oordeel van de Commissie kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld hoe de conclusie is getrokken dat geen sprake is van een O/GS. B/T heeft onvoldoende toegelicht in welke systemen is gezocht en welke resultaten daarin zijn aangetroffen. Nu deze stukken in het dossier ontbreken, kan de Commissie niet vaststellen dat B/T de benodigde kennis omtrent de relevante feiten op dit punt heeft vergaard en berust het bestreden besluit thans in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Dit gebrek kan in de beslissing op bezwaar worden hersteld. De Commissie verwijst hierbij mede naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545, en de op
10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Kamerstukken II 2025/2026, 36 708, nr. 68). De Commissie adviseert UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van het bovenstaande, aan belanghebbende inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om hem desgewenst de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan de beslissing op bezwaar.
Proceskosten
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter