BAC 2025-16189
Publicatiedatum 16-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 19 oktober 2023 (UHT-DCH)
Overdracht advies aan UHT: 23 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.
Onderwerp van advies
De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DCH, hierna aangeduid als de bestreden beschikking.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 46.477,- voor de jaren 2008, 2009, 2010, 2016 en de maanden januari tot en met mei 2017.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 5 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007, 2008, 2009, 2010, 2016 en 2017.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordelingen van het verzoek van belanghebbende op 4 oktober 2023 en 21 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2007, 2011 en de maanden juni tot en met december 2017 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij besluit van 3 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 45.237,-.
- UHT heeft bij de bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 46.477,-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 29 november 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 16 juni 2026 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift
- Gemachtigde heeft bij brief van 11 januari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
- De Commissie heeft UHT in de gelegenheid gesteld om desgewenst op het aanvullend bezwaarschrift van gemachtigde te reageren. UHT heeft een termijn tot 5 februari 2026 gekregen. UHT heeft geen (tijdig) gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te reageren, zodat de Commissie overgaat tot advisering.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie over De toeslagjaren 2008, 2009, 2010, 2016 en de maanden januari tot en met mei 2017 op de juiste wijze heeft berekend en of UHT op goede gronden geen compensatie heeft toegekend over de toeslagjaren 2007, 2011 en de maanden juni tot en met december 2017.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet nu niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht.
Onvolledig dossier/persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen zijn aan belanghebbende toegezonden.
De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Omissies/niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen.
Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling per toeslagjaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de KOT bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de beoordeling van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als in enig jaar eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.
Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer mogelijk niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.
FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken.
De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.
O/GS
De Commissie overweegt dat in de onderhavige procedure de (wijze van) vaststelling dat geen sprake was van O/GS aan de orde is geweest. Belanghebbende heeft gesteld dat zij deze constatering nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken. De commissie acht het onvoldoende dat door UHT uitsluitend wordt verwezen naar pagina 357 in het dossier, waarin slechts de vaststelling ‘geen O/GS’ te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld.
Als er nadere informatie hieromtrent beschikbaar is, dan is het begrijpelijk dat belanghebbende daar behoefte aan heeft. Hier is temeer reden voor gezien de FSV-registratie van belanghebbende. De Commissie adviseert daarom dat UHT in het besluit op bezwaar alsnog een begrijpelijke toelichting geeft op de wijze waarop de vaststelling, dat er geen sprake was van O/GS- heeft plaatsgevonden met, voor zover van toepassing, een verwijzing naar de hieraan ten grondslag liggende stukken.
Discriminatie
De Commissie overweegt dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet de bevoegdheid heeft om te beoordelen of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De compensatiebeschikking gaat uit van forfaitaire bedragen en houdt geen rekening met individuele omstandigheden.
Bij de Commissie Werkelijke Schade worden deze individuele omstandigheden wel meegewogen en kan er een vergoeding worden toegekend voor ervaren discriminatie.
Bezwaarprocedures
Belanghebbende stelt verder dat over de jaren waarover zij bezwaar heeft gemaakt geen beslissing op bezwaar is genomen en dat om deze reden sprake is van vooringenomen handelen. De Commissie overweegt dat uit de stukken niet is gebleken dat belanghebbende destijds een bezwaar heeft ingediend.
Deze bezwaargrond treft daarom geen doel.
Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.
Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling overige toeslagjaren
Belanghebbende verzoekt de toeslagjaren 2005 en 2006 alsnog te beoordelen.
In de jaren 2012 t/m 2015 meent belanghebbende ook aanvragen gedaan te hebben en zij verzoekt UHT alle stukken en informatie over die aanvragen alsnog in het geding te brengen. De Commissie beperkt zich tot de behandeling van de toeslagjaren die onderdeel uitmaken van deze bezwaarprocedure. De overige toeslagjaren, 2005 en 2006, vallen buiten het bereik van de onderhavige bezwaarprocedure. Dat geldt ook voor het verzoek tot overleggen van gegevens over mogelijke aanvragen in 2012 t/m 2015. De Commissie geeft UHT in overweging om indien mogelijk voor de beslissing op bezwaar de jaren 2005 en 2006 te beoordelen en belanghebbende de gelegenheid te geven daarop te reageren. Met betrekking tot de jaren 2012 t/m 2015 geeft de Commissie UHT in overweging om indien mogelijk voor de beslissing op bezwaar aan belanghebbende mede te delen of er aanvragen KOT in die jaren te vinden zijn en zoja, de gegevens hierover aan belanghebbende toe te sturen.
Beoordeling compensatieberekening toeslagjaren 2008, 2009, 2010, 2016 en de maanden januari t/m mei 2017
Belanghebbende heeft de juistheid van de compensatieberekening betwist.
Na bestudering van de stukken in het dossier concludeert de Commissie dat in de compensatieberekening door UHT enkele fouten zijn gemaakt maar dat geen van deze fouten in het nadeel zijn van belanghebbende.
Bij component n, de immateriële schadevergoeding, en component o, gemiste toeslagrente, zijn fouten gemaakt in de berekening doordat verkeerde data zijn gebruikt. Bij component f, het verschil met de laatst vastgestelde beschikking KOT, voor toeslagjaar 2008 is een bedrag van € 0,- vastgesteld. Dit had € 6.816,- moeten zijn. In al deze gevallen zijn de gemaakte fouten in het voordeel van belanghebbende waardoor zij meer compensatie heeft ontvangen dan waar zij recht op heeft. In verband met het verbod op verandering naar een slechtere positie op grond van artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht wordt de berekening niet aangepast aangezien dit in het nadeel zou zijn van belanghebbende.
Nu de door UHT gemaakte fouten in het voordeel van belanghebbende zijn, adviseert de Commissie om dit niet aan te passen en om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2007
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2007 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. In dit toeslagjaar is de KOT bij beschikking van 25 februari 2008 opwaarts gecorrigeerd aan de hand van de aanvraag op 9 oktober 2007.
Op 8 oktober 2008 neemt de B/T contact op de kinderopvanginstelling.
Hierna is de KOT neerwaarts gecorrigeerd, vanwege een wijziging in het uurtarief. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2011
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correctie in KOT over dit toeslagjaar was gelegen in een stopzetting per 1 januari 2011 door belanghebbende zelf.
Dat belanghebbende of iemand, die belanghebbende daartoe heeft gemachtigd de KOT heeft stopgezet blijkt uit het feit dat het BSN nummer van belanghebbende is opgegeven (XML pag 287). Deze bijstelling is conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De maanden juni tot en met december toeslagjaar 2017
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2007 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. In dit toeslagjaar heeft de B/T op 8 augustus 2017, naar aanleiding van een rechtmatigheidsonderzoek, een brief aan belanghebbende gestuurd met het verzoek om aanvullende informatie. Vanwege het uitblijven van de aanvullende informatie volgt er op 13 september 2017 een rappelbrief.
De B/T deelt middels een brief op 23 oktober 2017 mede dat de KOT zal worden stopgezet. Als gevolg hiervan wordt de KOT op 17 november 2017 op nihil beschikt. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopings-punten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Integendeel, uit de KOI viewer blijkt, dat belanghebbende alleen in januari 2017 opvang heeft gehad. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter