Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16186

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 juli 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 7 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 14 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 19 juli 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 februari 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar heeft de beoordeling plaatsgevonden over de jaren 2006 tot en met 2011.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
  • UHT heeft bij besluit van 19 juli 2023 met kenmerk UHT-DCHA (hierna: “het bestreden besluit”) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 augustus 2023, ingekomen op 6 november 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 29 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 7 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende meent dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van belanghebbende dat de motivering van het bestreden besluit onvolledig is of dat het onzorgvuldig is voorbereid. De Commissie constateert dat UHT in bezwaar een schriftelijke beschouwing heeft ingediend, waarin UHT een aanvullende uitgebreide uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelingsformulier, overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: “LIC”) en overige producties. Naar het oordeel van de Commissie is het bestreden besluit hierdoor thans in ieder geval voldoende gemotiveerd onderbouwd. Dit onderdeel van het bezwaar kan daarom niet slagen.

Afwijzing compensatie 2006 tot en met 2011

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2006 tot en met 2011 af te wijzen.

Belanghebbende betoogt, samengevat weergegeven, dat zij gecompenseerd moet worden, primair op grond van vooringenomen handelen, subsidiair op grond van hardheid. Meer subsidiair meent belanghebbende dat zij een tegemoetkoming wegens onterechte kwalificatie opzet/grove schuld dient te ontvangen (hierna: O/GS-tegemoetkoming). Uiterst subsidiair beroept belanghebbende zich op de hardheidsclausule (artikel 9.1 Wht) omdat sprake is van een schrijnende situatie waarin de wetgever niet heeft voorzien. UHT handhaaft haar standpunt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie noch voor een O/GS-tegemoetkoming.

De Commissie stelt voorop dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht voor een compensatie in aanmerking komt de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.

Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend.

Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat UHT erkent dat over alle betrokken jaren sprake geweest van vooringenomen handelen. UHT gaat niet tot uitkering van compensatie over omdat er sprake is van een situatie van evident geen recht.

Belanghebbende is strafrechtelijk veroordeeld wegens, kort gezegd, het plegen van fraude met de KOT in de toeslagjaren 2006 tot en met 2011. Die veroordeling is tussen partijen niet in geschil en staat in deze procedure vast zodat ook de Commissie van die strafrechtelijke veroordeling uitgaat. Dat belanghebbende bij verstek is veroordeeld maakt dit niet anders.

Daarnaast staat vast dat enkel voor het kind geboren in 2004 opvang is afgenomen over de periode 16 maart 2006 tot en met 30 juni 2008. Voor de andere twee kinderen is geen geregistreerde opvang afgenomen. Dit terwijl belanghebbende voor de betrokken jaren wel KOT heeft aangevraagd voor twee respectievelijk drie kinderen. Ook in deze procedure is geen bewijs overgelegd dat de betreffende aanvragen op juiste feiten berusten. De enkele stelling dat het niet logisch is dat alleen één kind naar de dagopvang ging en de andere twee kinderen niet, is daarvoor onvoldoende. De andere twee kinderen hadden immers de leeftijd waarop zij naar de basisschool gingen en niet meer in aanmerking kwamen voor dagopvang. Dat er sprake zou zijn van buitenschoolse opvang is niet onderbouwd en volgt ook niet uit het dossier.

Het standpunt van belanghebbende dat zij, naast de strafrechtelijke veroordeling, niet nogmaals gestraft mag worden en daarom wel gecompenseerd moet worden op grond van de Wht, wordt door de Commissie niet gevolgd nu dit niet strookt met de uitgangspunten van de Wht. De Wht gaat uit van compensatie wegens vooringenomen handelen, tenzij sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan belanghebbende toe te rekenen is, op grond waarvan geen recht op compensatie wegens vooringenomen handelen bestaat. Die laatste situatie doet zich hier voor. Dat betekent dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op compensatie wegens vooringenomen handelen. Dit onderdeel van het bezwaar kan daarom niet slagen.

De Commissie heeft evenmin aanknopingspunten gevonden voor compensatie op grond van hardheid van het stelsel. Uit de voorhanden stukken is het de Commissie gebleken dat de KOT over alle betrokken jaren aan belanghebbende is uitbetaald.

Dit onderdeel van het bezwaar kan daarom niet slagen.

O/GS-tegemoetkoming

Belanghebbende voert verder aan dat in het bestreden besluit niet is gemotiveerd waarom zij geen aanspraak kan maken op een O/GS-tegemoetkoming. Verder verwijst zij naar een uitspraak van de Raad van State van 24 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6319).

De Commissie meent dat, gegeven de hiervoor genoemde strafrechtelijke veroordeling wegens fraude met de KOT, de O/GS-kwalificatie terecht is geweest. Een O/GS-tegemoetkoming is daarom niet aan de orde. Dit bezwaar kan gelet hierop niet slagen.

Hardheidsclausule ex artikel 9.1 Wht

Belanghebbende doet een beroep op de hardheidsclausule. Volgens belanghebbende is sprake van een (zeer) schrijnende situatie waarin de wetgever niet heeft voorzien.

De Commissie overweegt dat toepassing van de hardheidsclausule aan de orde is indien strikte toepassing van de wet of de beleidsregels zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Belanghebbende heeft, in het licht van voormelde strafrechtelijke veroordeling, onvoldoende onderbouwd dat in haar geval sprake is van bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden, op grond waarvan de hardheidsclausule uit artikel 9.1 Wht op haar van toepassing is. Het beroep op de hardheidsclausule kan daarom niet slagen.

Overige bezwaren

Gelijkheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel

Belanghebbende heeft voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

Zij wijst op andere vergelijkbare situaties waarin ouders wel gecompenseerd zijn. Belanghebbende beroept zich daarnaast op het evenredigheidsbeginsel. B/T heeft (onevenredig) hard opgetreden tegen belanghebbende en dat optreden staat niet in verhouding tot het doel dat daarmee gediend is.

De Commissie overweegt dat belanghebbende onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat in andere identieke gevallen compensatie is toegekend. Dit betoog kan daarom niet slagen.

Ten aanzien van het beroep op het evenredigheidsbeginsel meent de Commissie dat ook dit betoog onvoldoende is onderbouwd, mede bezien in het licht van de omstandigheid dat, zoals hiervoor is overwogen, sprake is geweest van een terechte O/GS-kwalificatie. Dit onderdeel van het bezwaar kan daarom geen doel treffen.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter