BAC 2025-16184
Publicatiedatum 21-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 10 mei 2022, UHT-DC I, UHT-DH5 A en UHT-DC-I A (hierna: bestreden besluiten)
Hoorzitting: 18 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 11 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van €30.823,- voor de jaren 2012 (juni tot en met december), 2013 (januari tot en met maart) en 2014 (april tot en met september). Er is geen compensatie toegekend voor het jaar 2015.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 28 januari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- UHT heeft bij besluit van 23 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 november 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de periode 1 januari tot en met 29 juni 2012, de maanden april tot en met december 2013, januari tot en met maart en oktober tot en met december 2014 en het toeslagjaar 2015 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden besluiten aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €30.823,- voor de jaren 2012 tot en met 2014 en geen compensatie toegekend voor de periode januari tot en met juni 2012, de maanden april tot en met december 2013, januari tot en met maart en oktober tot en met december 2014 en het toeslagjaar 2015.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 april 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 4 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 12 maart 2026 het bezwaar aangevuld.
- Op 18 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 31 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op dezelfde dag op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2014 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de periode januari tot en met juni 2012, de maanden april tot en met december 2013, januari tot en met maart en oktober tot en met december 2014 en het toeslagjaar 2015 af te wijzen.
Evident geen recht
Tussen partijen is niet in geschil dat in de jaren 2012 tot en met 2014 sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of compensatie beperkt mag worden op de grond dat sprake is geweest van evident geen recht in de periode januari tot en met juni 2012, april tot en met december 2013, januari tot en met maart 2014 en oktober tot en met december 2014.
UHT heeft de compensatie over de toeslagjaren 2013 en 2014 naar rato berekend over de maanden januari tot en met maart 2013 en april tot en met september 2014. Voor de periodes april tot en met december 2013 en oktober tot en met december 2014 was sprake van ernstige onregelmatigheden die aan belang-hebbende toerekenbaar zijn, omdat belanghebbende geen gekwalificeerde kinderopvang afnam en daarmee evident geen recht had op KOT. UHT baseert haar standpunt op de gegevens uit de KOI-viewer (producties 1213018 en 1214027).
Belanghebbende heeft in bezwaar niet betwist dat zij de periodes waarvan wordt gesteld dat sprake is van evident geen recht geen opvang heeft afgenomen.
Zij stelt echter dat de Wht niet toestaat om op grond daarvan de compensatie voor het vooringenomen handelen in te perken. De toets van evident geen recht in de zin van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn, als bedoeld in artikel 2.1 lid 2 van de Wht, ziet volgens belanghebbende op gehele toeslagjaren.
UHT heeft op de hoorzitting toegelicht dat het beleid van UHT is om de ernstige onregelmatigheden niet op jaarbasis maar op maandbasis te beoordelen, waarbij telkens in het voordeel van ouders wordt afgerond op gehele maanden.
De Commissie stelt vast dat volgens het Handboek IB Vaktechniek van UHT vaste uitvoeringspraktijk is om in gevallen waarin voor een gedeelte van het jaar sprake was van evident geen recht, de compensatie voor vooringenomen handelen pro rata toe te kennen. Voor de maanden waarin sprake was van evident geen recht, wordt dan nog beoordeeld of recht bestaat op hardheidscompensatie of een O/GS-tegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunt gevonden voor de conclusie dat dit beleid zich niet met de Wht verdraagt. Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van
10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5956 volgt dat de ABRvS accepteert dat bij vooringenomenheid slechts compensatie wordt toegekend over de periode waarin wettelijk recht bestond op KOT, ondanks dat de vooringenomenheid het gehele kalenderjaar beslaat. De Commissie vindt in de stukken en datgene wat op de zitting is besproken ook geen aanleiding voor de opvatting dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken.
Daarnaast stelt de Commissie vast dat over de periode januari tot en met juni 2012 en januari tot en met maart 2014 geen aanvraag KOT is gedaan. Op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht wordt compensatie toegekend aan de aanvrager van KOT. Belanghebbende voldeed voor deze periodes niet aan dit vereiste en komt daarom niet voor compensatie op grond van deze herstelmaatregel in aanmerking.
De Commissie is aldus van opvatting dat UHT de compensatie op goede gronden heeft afgewezen over de periode waarin belanghebbende geen aanvraag KOT had lopen of geen opvang afnam en dus geen aanspraak kon maken op KOT. Het bezwaar treft op dit punt geen doel.
Aanvullende schade
Belanghebbende voert aan dat het niet afnemen van kinderopvang in 2014 en 2015 het gevolg is van financiële schade die voortkomt uit de toeslagen-problematiek.
UHT stelt dat voor de periodes waarin geen KOT is aangevraagd of ontvangen als gevolg van financiële schade en de toeslagenproblematiek belanghebbende een extra vergoeding kan aanvragen via https://schadeherstel.toeslagen.nl/.
De Commissie overweegt dat deze bezwaarprocedure enkel betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade.
Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik worden gemaakt van de mogelijk, vermeld op eerdergenoemde website.
De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening
Component a
Belanghebbende stelt dat component a in de compensatieberekening ten aanzien van toeslagjaar 2012 dient te worden aangepast. In dit toeslagjaar hebben twee onterechte verlagingen plaatsgevonden met een totale waarde van €6.325 (€1.044 en €5.281). Component a dient te worden aangepast naar €6.325, omdat dit de schade is die belanghebbende heeft geleden.
UHT stelt dat belanghebbende is gecompenseerd over de tweede verlaging horende bij beschikkingsnummer T1200131. Ten aanzien van de eerste verlaging is geen recht op een herstelregeling. Het juiste bedrag onder component a blijft daarom volgens UHT €5.281.
De Commissie overweegt op dit punt als volgt. Uit artikel 2.2, onder a, Wht volgt dat component a onder andere bestaat uit een bedrag vanwege het verminderen van de KOT als direct gevolg van institutioneel vooringenomenheid of hardheid.
In het geval van belanghebbende is de KOT verlaagd van €5.281 naar €0 in verband met vooringenomen handelen door B/T. UHT heeft terecht gesteld dat de eerste verlaging van €1.044 niet onder artikel 2.1 Wht valt en daarom niet te kwalificeren is als een verlaging die het directe gevolg is van institutionele vooringenomenheid of hardheid. Het bedrag dat onder component a dient te worden opgenomen bedraagt daarom €5.281.
De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Component g en i
Verder stelt UHT dat component g over toeslagjaar 2014 onjuist is vastgesteld. UHT heeft aangegeven dit bedrag niet aan te passen, omdat dit nadelig is voor belanghebbende. Daarnaast stelt gemachtigde dat component i op basis van het LIC-overzicht dient te worden aangepast naar €768, hetgeen door UHT is bevestigd in de bijlage Compensatieberekening bij de beschouwing van 4 augustus 2025.
De Commissie ziet geen aanleiding om op dit punt anders te adviseren.
Component o
Ook heeft UHT vastgesteld dat component o over alle te compenseren toeslag-jaren onjuist is vastgesteld. Voor het jaar 2012 zal component o in de beslissing op bezwaar in het voordeel van belanghebbende worden aangepast, het bedrag voor de toeslagjaren 2013 en 2014 blijven in stand aangezien dit in het voordeel is van belanghebbende. Nu component o onjuist is vastgesteld, zijn componenten o en n eveneens onjuist berekend, aangezien deze componenten doorlopen tot de datum van de beslissing op bezwaar. De compensatie dient te worden herberekend, waarbij component o in het genoemde toeslagjaar opnieuw wordt vastgesteld en componenten n en p dienovereenkomstig worden aangepast tot aan de datum van de beslissing op bezwaar.
De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- de compensatierekening aan te passen op de volgende onderdelen o de invorderingskosten over toeslagjaar 2012; o de toeslagrente over toeslagjaar 2014; o de immateriële schadevergoeding; o de 1% aanvullende vergoeding;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter