BAC 2025-16183
Publicatiedatum 21-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 3 oktober 2023 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 19 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 8 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 3 oktober 2023 (UHT-DCHO).
Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 13.032,- voor het jaar 2018 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 tot en met 2017 en 2019. Voor het jaar 2016 is een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend van € 5.728,-.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 8 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016 tot en met 2019. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit uitgebreid tot de jaren 2013 tot en met 2019.
- UHT heeft bij brief van 11 maart 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 14 juni 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2017 en 2019.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belang-hebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 13.032,- voor het jaar 2018 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 tot en met 2017 en 2019. Voor het jaar 2016 is een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend van € 5.728,-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 oktober 2023, ingekomen op 24 oktober 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 25 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft per e-mail van 21 november 2025 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 22 december 2025 een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 19 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2018 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de overige herbeoordeelde toeslagjaren af te wijzen.
De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.
Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel zijn geschonden. Zonder volledig dossier is het voor haar niet inzichtelijk hoe UHT tot de weigering van compensatie heeft besloten.
UHT heeft het dossier en een schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen.
Op de hoorzitting heeft belanghebbende de bovendien de mogelijkheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.
De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit voldoende heeft toegelicht. Door het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” (hierna: LIC) en de overige producties zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken verstrekt. Bij de hoorzitting zijn verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gekomen op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het door UHT overgelegde dossier incompleet is of aangevuld zou moeten worden.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Equality of Arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie/beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen”, is op 30 september 2025 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op het bezwaar betrekking hebbende stukken.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Niet alle KOT-jaren beoordeeld
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT ten onrechte niet alle jaren waarin zij kinderopvangtoeslag heeft ontvangen opnieuw heeft beoordeeld. Ook de toeslagjaren 2011 en 2012 zouden moeten zijn meegenomen in de herbeoordeling omdat over deze toeslagjaren KOT is gegeven.
Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voorafgaand aan 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een besluit daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.
De Commissie stelt vast dat het initiële verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de toeslagjaren 2016 tot en met 2019. De PZB heeft het verzoek vervolgens na een gesprek met belanghebbende uitgebreid tot de toeslagjaren 2013 tot en met 2019. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de toeslagjaren 2011 en 2012 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden het bestreden besluit moet worden herroepen.
De Commissie heeft goede nota genomen van de aanvullende beschouwing van UHT van 22 december 2025 waarin de uitkomst van de herbeoordeling van de toeslagjaren 2011 en 2012 staat toegelicht. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie de behandeling van het bezwaar niet aan.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Automatische voortzetting
In haar bezwaar voert belanghebbende aan dat zij in de problemen is gekomen door de automatische continuatie van de KOT in het toeslagjaar 2014.
Volgens belanghebbende heeft de B/T destijds onzorgvuldig gehandeld en dient de B/T ouders die KOT ontvangen te beschermen voor liquiditeitsproblematiek vanwege eventuele terugbetalingen en (latere) verrekeningen.
Het is voor de Commissie duidelijk dat de B/T destijds op basis van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) de KOT automatisch heeft verlengd. In artikel 15 lid 5 Awir staat dat een aanvraag voor KOT wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende toeslagjaren. Als een ouder KOT aanvraagt voor een bepaald toeslagjaar, dan is dat automatisch ook een aanvraag voor daaropvolgende toeslagjaren. Op grond van artikel 15 lid 6 Awir mag de B/T de automatische verlenging van KOT voor opvolgende toeslagjaren ook niet zomaar stoppen.
Indien voor een ouder die KOT heeft aangevraagd bepaalde omstandigheden wijzigen – bijvoorbeeld meer of minder opvanguren worden afgenomen; een wijziging van het opvangtarief; een lager of hoger toetsingsinkomen – dan is die ouder gehouden zelf deze gewijzigde omstandigheden door te geven aan de B/T. Op grond van artikel 15 lid 2 Awir dient de aanvrager van KOT de voor de beslissing op de aanvraag benodigde informatie duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te verstrekken. Uit artikel 17 Awir volgt dat, indien een voorschot op de tegemoet-koming is verleend en er een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming, de belanghebbende is gehouden die wijziging door te geven.
De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Geen vooringenomen handelen of hardheid
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de vaststelling en/of aanpassingen van de KOT voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2017 en 2019 zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen en toegezonden jaaropgaven, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.
Voor de toeslagjaren 2011 en 2012 geldt dat de KOT niet is verlaagd.
Voor toeslagjaar 2013 geldt dat de KOT na een eerdere verhoging naar nihil is verlaagd omdat B/T de door haar gevraagde informatie om het recht op KOT vast te kunnen stellen niet had ontvangen. Hier zijn meerdere uitvraagbrieven en telefonisch contact aan voorafgegaan. Nadat B/T de gevraagde informatie had ontvangen is de KOT weer verhoogd naar €24.793,-.
De stopzetting van de KOT door B/T voor toeslagjaar 2013 heeft doorgewerkt in toeslagjaar 2014. Het initiële voorschotbedrag was € 26.322,- en is na uitblijven van een reactie op de informatieverzoeken van B/T verlaagd naar nihil.
Na ontvangst van de informatie is de KOT verhoogd naar € 26.844,-. Dit bedrag is uiteindelijk weer naar beneden bijgesteld op basis van de jaaropgave van de kinderopvanginstelling en het toetsingsinkomen.
Voor toeslagjaar 2015 geldt dat de KOT eerst is verlaagd vanwege wijzigingen in het aantal afgenomen opvanguren doorgegeven door belanghebbende en vervolgens nogmaals is verlaagd op basis van een stopzetting van de KOT door belanghebbende per 17 april 2015. Per 1 september 2015 is vervolgens opnieuw KOT aangevraagd en is de KOT voor dit toeslagjaar weer verhoogd.
Voor toeslagjaar 2016 geldt dat de KOT initieel is verlaagd omdat deze door belanghebbende zelf is stopgezet (voor het oudste kind per 15 februari 2016 en voor de overige kinderen per 1 september 2016). Later is de KOT verder verlaagd op basis van de door belanghebbende aangeleverde jaaropgaven en een hoger toetsingsinkomen.
Voor toeslagjaar 2017 werd de KOT automatisch verlengd voordat de stopzetting per 1 september 2016 was verwerkt. Op basis van die stopzetting is het KOT bedrag voor toeslagjaar 2017 op 31 december 2016 verlaagd naar nihil. Op basis van een nieuwe KOT aanvraag per 1 oktober 2017 is de KOT weer verhoogd.
Tot slot is de KOT voor toeslagjaar 2017 weer verlaagd op basis van de jaaropgave van de kinderopvang en het toetsingsinkomen van belanghebbende.
Voor toeslagjaar 2019 is de KOT eerst verhoogd na een wijziging in het uurtarief van de kinderopvang. Vervolgens is de KOT verlaagd op basis van een stopzetting door belanghebbende per 11 mei 2019 en een hoger toetsingsinkomen.
B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders die in het systeem van de belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.
De Commissie overweegt dat er geen aanwijzingen zijn voor institutioneel vooringenomen handelen van B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2017 en 2019 dan wel van door belanghebbende ondervonden hardheid van het stelsel. De terugvorderingen KOT waren gelegen in een te hoog voorschot dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op hardheids-compensatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Voor het toeslagjaar 2016 is wel sprake van een onterechte kwalificatie opzet/ grove schuld (hierna: O/GS) zodat belanghebbende voor dit toeslagjaar recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening
De juistheid van de compensatieberekening is door gemachtigde bij gebrek aan wetenschap betwist. Inmiddels beschikt belanghebbende over het bezwaardossier en heeft de zaaksbehandelaar van UHT bij de schriftelijke beschouwing de compensatieberekening toegelicht.
Uit de schriftelijke reactie van UHT volgt dat in de compensatieberekening fouten zijn gemaakt. UHT stelt zich op het standpunt dat het bezwaar op dit punt gegrond is omdat bij de berekening van de rentevergoeding voor gemiste KOT (component o) fouten zijn gemaakt. UHT is bij de oorspronkelijke berekening uitgegaan van verkeerde data waardoor belanghebbende minder compensatie heeft ontvangen dan waar zij recht op heeft en UHT geeft aan dit te zullen herstellen in de beslissing op bezwaar.
De Commissie merkt op dat deze aanpassing in de berekening tevens tot gevolg heeft dat ook andere bedragen wijzigen: de vergoeding van de immateriële schade en de aanvullende vergoeding van 1% dienen te worden doorberekend tot de datum van de beslissing op bezwaar.
De Commissie adviseert UHT, aansluitend bij haar eigen standpunt, dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en om aan haar toezeggingen uit de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereen-komstig aan te passen in de beslissing op bezwaar.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om de beschikking met kenmerk UHT-DCHO (gedeeltelijk) te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (twee bezwaarschriften en één hoorzitting).
De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- De beschikking met kenmerk UHT-DCHO te herroepen en de compensatieberekening voor toeslagjaar 2018 aan te passen conform bovenstaande overwegingen; en
- Een proceskostenvergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee tegen de hoogste vergoeding per procespunt.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter