Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16181

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 februari 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 2 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 17 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bestreden besluit op onderdelen te herroepen, de compensatie opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 19.877 voor het jaar 2008 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 23 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2013. UHT heeft ook de jaren 2008 tot en met 2010 opnieuw beoordeeld, vanwege de kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) en de nihilstelling in die jaren.
  • UHT heeft bij besluit van 15 december 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, in het kader van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 13 maart 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 en de O/GStegemoetkoming van artikel 2.6 van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2009, 2011, 2012 en 2013.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 19.877 voor het jaar 2008 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2013.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 maart 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft op 6 augustus 2025 aanvullende gronden ingediend.
  • UHT heeft op 14 augustus 2025 schriftelijk (met een ‘beschouwing’) gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 2 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 12 maart 2026 schriftelijk laten weten dat belanghebbende afziet van het schikkingsvoorstel van UHT en dus een beslissing op bezwaar wenst.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor  het jaar 2008 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2009 tot en met 2013 af te wijzen.

Toeslagjaar 2008
Voor het toeslagjaar 2008 heeft UHT erkend dat de rentevergoeding voor gemiste KOT (component o) onjuist is berekend. De Commissie adviseert UHT deze component te corrigeren in de beslissing op bezwaar. Het bezwaar is op dit onderdeel gegrond.

Toeslagjaren 2009 tot en met 2013

Toeslagjaar 2009
Op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, volgens artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege in geval van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is voor de KOT voor het toeslagjaar 2009 het geval omdat belanghebbende volgens UHT strafrechtelijk is veroordeeld voor het inleveren van valse stukken. Dit wordt door belanghebbende in het ouderverhaal niet betwist. Ook zijn de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling niet vervuld. Verder was er een terechte O/GS-kwalificatie voor dit toeslagjaar. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om over een of meer van deze aspecten in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2010
De Commissie stelt vast dat voor het toeslagjaar 2010 twee verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden. De eerste verlaging hield verband met het door belanghebbende per 4 januari 2010 stopzetten van de KOT. De reden van de tweede verlaging was dat de KOT is stopgezet omdat de opgegeven kinderopvang grotendeels niet heeft plaatsgevonden. De Commissie ziet in het dossier geen aanwijzingen dat de B/T bij deze verlagingen onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. Ook zijn de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling niet vervuld. Verder was er geen O/GS- kwalificatie voor het toeslagjaar 2010. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2011 en 2012
Op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, volgens artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege in geval van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. In de toeslagjaren 2011 en 2012 had belanghebbende evident geen recht op KOT, omdat uit de systemen van de B/T niet is gebleken dat belanghebbende in 2011 en 2012 geregistreerde kinderopvang heeft genoten. Bovendien behoorde belanghebbende niet tot de doelgroep van de personen voor wie de KOT is bedoeld. Belanghebbende heeft de juistheid van deze gegevens niet gemotiveerd bestreden. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in het hier besproken jaar kinderopvang heeft genoten. Er bestond dus evident geen recht op KOT over de jaren 2011 en 2012 en er bestaat daarom ook geen recht op compensatie over die jaren. Verder was er een niet ongerechtvaardigde O/GS-kwalificatie voor de toeslagjaren 2011 en 2012. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2013
De Commissie stelt vast dat voor het toeslagjaar 2013 één verlaging van de KOT heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 1.3 lid 2 van de Wet kinderopvang en artikel 4 lid 1 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen moeten de belanghebbende ouder en het kind op hetzelfde woonadres ingeschreven staan in de basisregistratie personen om in aanmerking te komen voor KOT. Aan die eis voldeed belanghebbende niet. Ook zijn de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling niet vervuld. Verder was er een niet ongerechtvaardigde O/GS-kwalificatie voor dit toeslagjaar. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskosten
Omdat het bestreden besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert zij tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

De Commissie adviseert om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren. Ook adviseert de Commissie om belanghebbende een forfaitaire vergoeding, zoals hierboven is omschreven, toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter