Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16162

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 11 oktober 2023 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 22 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 5 maart 2026

Samenvatting

De Commissie adviseert om het bezwaar tegen het besluit met de kenmerk UHT-DCHO gegrond te verklaren en aan belanghebbende ter zake van dat bezwaar een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit van 11 oktober 2023 tot compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 103.779,- voor de jaren 2011, 2012, oktober tot en met december 2013, 2014 en 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 4 april 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2016.
  • UHT heeft bij beschikking van 29 juni 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, als bedoeld in de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 14 april 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2015 en 2016 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 97.507 voor de jaren 2011, 2012, oktober tot en met december 2013 en 2014. Voor 2015 is een tegemoetkoming wegens een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld toegekend.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 103.779.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 14 december 2023, ingekomen op 15 december 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 12 januari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 10 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 22 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Op 27 januari 2026 heeft UHT aanvullende informatie ingediend. Gemachtigde heeft laten weten geen commentaar te hebben op hetgeen door UHT naar voren is gebracht.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Motiverings- en formele zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens haar is onvoldoende helder en begrijpelijk aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt welke overwegingen aan de compensatieberekening ten grondslag liggen. Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie deze gebreken herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Toeslagjaar 2011
Belanghebbende voert aan dat haar zonder geldige reden geen compensatie is geboden voor vergoeding voor juridische hulp voor het toeslagjaar 2011 en verzoekt hier alsnog om.

Op grond van artikel 2.3 lid 6 Wht kan een forfaitaire vergoeding voor juridische kosten slechts toegekend worden voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Nu niet gebleken is dat hiervan in dit jaar sprake is geweest, ziet de Commissie geen reden UHT te adviseren gevolg te geven aan het verzoek van belanghebbende. In een later ingesteld beroep met betrekking tot toeslagjaar 2015 is de gang van zaken in 2011 aan de orde geweest, maar dat neemt niet weg, dat het beroep op 2015 niet tevens op 2011 betrekking had.

Toeslagjaar 2012
Belanghebbende is van mening dat de compensatieberekening, voor zover die voor haar op basis van de beschikbare stukken te controleren valt, niet correct is. Zij betwist meer concreet de hoogte van de componenten f (verschil met laatst vastgestelde beschikking KOT) en i (de betaalde rente en kosten) over het toeslagjaar 2012. Daarnaast ontbreekt volgens haar een vergoeding voor kosten van juridische hulp.

Component f (verschil met laatst vastgestelde beschikking)
Belanghebbende maakt bezwaar tegen de verwerking van het toeslagjaar 2012, omdat UHT bij onderdeel f (“verschil met laatst vastgestelde beschikking kinderopvangtoeslag”) is uitgegaan van € 32.058, terwijl de laatst vastgestelde KOT-beschikking € 27.875 bedraagt; het meerdere (€ 4.183) betreft volgens belanghebbende ontvangen toeslagrente. Belanghebbende stelt dat toeslagrente niet op deze wijze via onderdeel f mag worden meegenomen en wijst erop dat onderdeel f hierdoor bovendien hoger uitkomt dan onderdeel e (€ 31.243), namelijk met € 815 (€ 32.058 − € 31.243 = € 815).

De Commissie kan dat bezwaar volgen. In de berekening staat voor 2012 namelijk onderdeel e = € 31.243 en onderdeel f = € 32.058, zodat f € 815 hoger is dan e (€ 32.058 − € 31.243 = € 815). Dat is zonder nadere toelichting niet te begrijpen, omdat artikel 2.3 lid 1 Wht de vermindering koppelt aan (alsnog toegekende) KOT of een verhoging daarvan en bepaalt dat die vermindering niet verder mag gaan dan tot nihil; een post die het relevante bedrag feitelijk “overstijgt” past daar niet zonder meer in.

Als UHT de door belanghebbende ontvangen toeslagrente wil betrekken, ligt daarvoor juist de afzonderlijke route in artikel 2.3 lid 7 Wht: reeds vergoede rente wordt dan in mindering gebracht op de rentevergoeding over gemiste KOT (in de berekening doorgaans het rentecomponent), en dat moet ook kenbaar en controleerbaar uit de berekening blijken. In dit dossier is die toepassing niet inzichtelijk gemaakt, terwijl het erop lijkt dat de toeslagrente alleen “opgaat” in het bedrag bij onderdeel f (namelijk € 27.875 + € 4.183 = € 32.058).

De Commissie adviseert daarom het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en UHT op te dragen een nieuwe herleidbare compensatieberekening te verstrekken waarin onderdeel f uitsluitend ziet op KOT (zonder toeslagrente) en waarin eventuele reeds vergoede toeslagrente – voor zover relevant – afzonderlijk en kenbaar wordt verwerkt conform artikel 2.3 lid 7 lid Wht.

Component i (de betaalde rente en kosten)
Belanghebbende voert aan dat het LIC-overzicht vermeldt dat in 2012 in totaal € 69 aan kosten en rente is betaald (€ 64 kosten en € 5 rente), terwijl in de compensatieberekening bij component i slechts € 5 is opgenomen. Daarnaast wijst belanghebbende erop dat in het LIC-overzicht bij “bestuurlijke boete” een bedrag van € 377 staat, terwijl in de berekening is uitgegaan van € 344.

De Commissie stelt vast dat het LIC-overzicht inderdaad uitkomt op “totaal kosten/rente” van € 69 en dat daarbinnen € 64 aan kosten en € 5 aan rente is opgenomen. Uit de boetebeschikking volgt dat de boete € 344 bedraagt. Dit sluit ook aan bij het LIC-overzicht, waarin op de boetehoofdsom betalingen van € 287 en € 57 zijn geregistreerd (tezamen € 344). De Commissie volgt daarom niet de stelling, dat de vermelding “€ 377” in het LIC-overzicht maatgevend is.

De Commissie kan de door UHT gevolgde verwerking van kosten en rente echter niet goed controleren op basis van de motivering. UHT stelt dat rente en kosten met de boete zijn samengenomen en dat dit leidt tot een totaal van € 408, maar deze toelichting is niet rekenkundig en niet herleidbaar uitgewerkt. Uit de stukken lijkt juist te volgen dat € 408 bestaat uit € 344 (boete) vermeerderd met € 64 (kosten), terwijl de € 5 rente afzonderlijk in component i is opgenomen. UHT dient daarom expliciet en controleerbaar toe te lichten hoe het bedrag van € 408 is opgebouwd en waar de kosten en rente precies in de berekening zijn verwerkt.

Component m (vergoeding voor kosten van juridische hulp)
UHT heeft tijdens de hoorzitting erkend dat de kosten van juridische hulp voor vergoeding in aanmerking komen. Uit het bezwaardossier blijkt immers dat het bezwaar weliswaar door belanghebbende zelf is ingediend, maar dat voor het beroepschrift, de zitting en het hoger beroep een gemachtigde is ingeschakeld. UHT heeft aangegeven dat de compensatieberekening op dit punt zal worden aangepast.

Toeslagjaar 2013
Belanghebbende stelt dat UHT in de schriftelijke beschouwing component a onjuist heeft berekend. Volgens belanghebbende dient de vergoeding wegens zowel hardheid als vooringenomen handelen op gelijke wijze te worden vastgesteld. De door UHT gehanteerde werkwijze — waarbij bij de bepaling van de compensatie onderscheid wordt gemaakt in situaties waarin hardheid samenhangt met uitbetaling van de KOT aan de kinderopvanginstelling — acht belanghebbende daarom in strijd met de Wht.

Tijdens de hoorzitting heeft UHT verklaard dat het bedrag onder component a zal worden aangepast, maar dat het eerder vastgestelde bedrag gehandhaafd blijft vanwege het verbod van reformatio in peius. De berekening voor vooringenomen handelen ziet op de maanden oktober tot en met december (drie maanden) en komt uit op € 7.809. Voor de overige maanden vindt een toets op hardheid plaats. Daarbij worden de aan de kinderopvanginstelling overgemaakte bedragen betrokken, hetgeen resulteert in € 18.217. In totaal leidt dit tot € 26.026. Omdat dit totaal hoger is dan het eerder vastgestelde bedrag, blijft het eerdere bedrag gehandhaafd. Dit betekent tevens dat component o niet wordt verrekend, terwijl dit in de schriftelijke beschouwing nog wel is vermeld. Het bezwaar is op dit punt dan ook gegrond.

Toeslagjaren 2015 en 2016
Belanghebbende is van mening dat ten onrechte slechts een vergoeding wegens opzet/grove schuld is toegekend voor het toeslagjaar 2015. Volgens haar had een ruimere compensatie moeten worden verleend voor de toeslagjaren 2015 en 2016, aangezien de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in deze jaren daadwerkelijk fouten heeft gemaakt. Zo is er volgens belanghebbende in 2015 wel degelijk sprake van hardheid. Daarnaast betwist belanghebbende dat zij de KOT voor het toeslagjaar 2016 zelf heeft stopgezet.

In 2015 hebben twee neerwaartse correcties plaatsgevonden. Op 21 januari 2015 is de KOT verlaagd van € 15.293 naar € 14.397 vanwege een gestegen toetsingsinkomen.

Vervolgens is de KOT op 28 april 2017 opnieuw verlaagd, van € 14.397 naar € 0. Dit is naar aanleiding van het antwoordformulier van 15 september 2016, waarin belanghebbende zelf heeft verklaard dat zij geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Belanghebbende is vervolgens in bezwaar gegaan en heeft meerdere bewijsstukken aangeleverd waaruit blijkt dat zij wel opvang heeft genoten. Naar aanleiding van haar bezwaar is de KOT op 26 juni 2017 definitief beschikt op € 2.721.

In 2016 heeft er één neerwaartse correctie plaatsgevonden. Op 22 februari 2016 werd de KOT verlaagd van € 15.061 naar € 526, omdat belanghebbende op 14 januari 2016 zelf de KOT per 13 januari 2016 had stopgezet. Dit blijkt zowel uit een kopie uit het digitale burgerportaal, als uit het XML-bestand dat door UHT na de hoorzitting is ingediend.

De terugvordering KOT over deze toeslagjaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

De Commissie stelt vast dat uit het LIC-overzicht volgt dat het bedrag van € 14.397 niet uitsluitend ziet op “terugvordering”, maar ook op de wijze waarop de (na bijstelling) vastgestelde KOT over 2015 is verwerkt: € 2.940 is aan de kinderopvanginstelling (KOI) uitbetaald en € 2.876 en € 8.581 zijn verrekend met openstaande KOT-posten over 2011 en 2012 (tezamen € 14.397). Deze verrekeningen zijn ook in de beslissing op bezwaar beschreven en vinden hun grondslag in de Awir. Voor hardheid op de grond “KOT naar KOI” is vereist dat meer dan € 1.500 te veel aan de KOI is uitbetaald ten opzichte van de opvangkosten. Nu aan de KOI € 2.940 is betaald bij opvangkosten van € 3.126, is daarvan geen sprake. Voor zover belanghebbende haar hardheidsbetoog baseert op de toepassing van verrekening met andere toeslagjaren, geldt dat dit niet maakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor hardheid op voornoemde grond. De Commissie volgt daarom het standpunt van UHT dat voor 2015 geen hardheid op deze grond wordt aangenomen.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2015 en 2016 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.

Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS in het jaar 2016, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Rentevergoeding gemiste KOT en immateriële schadevergoeding (component o en n)
In haar schriftelijke beschouwing stelt UHT dat de berekeningen van de rentevergoeding over gemiste KOT voor de toeslagjaren 2011, 2012, 2013 en 2014 niet correct zijn. UHT is uitgegaan van een verkeerde startdatum, die op grond van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) 1 juli van het jaar volgend op het desbetreffende toeslagjaar moet zijn. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat het hanteren van een verkeerde startdatum noopt tot aanpassing van het bestreden besluit. Derhalve adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en de rentebedragen aan te passen overeenkomstig het gestelde in de schriftelijke beschouwing.

Wat betreft de vergoeding voor immateriële schade is, zoals UHT ook in de schriftelijke beschouwing stelt, een onjuiste einddatum gehanteerd. Echter, daar het bezwaar gezien het voorgaande deels gegrond is, adviseert de Commissie UHT, zoals ook door UHT wordt aangegeven in de schriftelijke beschouwing, om de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar.

Aanvullende vergoeding van 1 procent (component p)
Het advies van de Commissie om de compensatieberekening op de componenten n en o aan te passen, leidt ertoe dat ook de aanvullende vergoeding van 1 procent over een aldus gewijzigd subtotaal moet worden berekend in en tot de datum van de beslissing op bezwaar.

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gegrond is, adviseert de Commissie belanghebbende om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:

  • het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHO gegrond te verklaren in die zin dat in ieder geval:
    • een vergoeding voor de juridische kosten (component m) wordt toegekend voor het toeslagjaar 2012;
    • de compensatieberekening voor het toeslagjaar 2012 wordt hersteld en herleidbaar gemotiveerd, in die zin dat 1) component f wordt gecorrigeerd en zodanig wordt toegelicht dat dit onderdeel uitsluitend ziet op de laatst vastgestelde KOT (zonder toeslagrente), en dat eventuele toeslagrente afzonderlijk en kenbaar wordt verwerkt bij de rente(systematiek), en component i herleidbaar wordt gemaakt door expliciet toe te lichten waar de in het LIC-overzicht blijkende kosten en rente zijn verwerkt en hoe deze verwerking past binnen de componentindeling.
    • de rentevergoeding gemiste KOT over de toeslagjaren 2011, 2012, 2013 en 2014 berekend zal worden vanaf de juiste ingangsdatum;
    • de vergoeding voor immateriële schade (component n) berekend zal worden tot aan de datum van de beslissing op bezwaar en in het verlengde daarvan de aanvullende vergoeding van 1 procent van het subtotaal van

het compensatiebedrag (component p) aangepast zal worden;

een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor deze bezwaarprocedure.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter