BAC 2025-16161
Publicatiedatum 28-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 17 april 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 18 februari 2026
Overdracht advies aan UHT: 8 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, een compensatie wegens vooringenomen handelen toe te kennen over januari tot en met maart 2015, de compensatieberekening aan te passen en het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 17 april 2024. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een definitieve compensatie toegekend van €27.979,- voor het jaar 2010 en de maanden augustus tot en met december 2014 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2008, 2009, 2011 tot en met 2013, de maanden januari tot en met juli van 2014 en 2015.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 9 maart 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar heeft de beoordeling plaatsgevonden over de jaren 2008 tot en met 2015.
- UHT heeft bij besluit van 21 augustus 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-. Dat bedrag is aan belanghebbende betaald.
- UHT heeft bij besluit van 17 april 2024 met kenmerk UHT-DCHO (hierna: “het bestreden besluit”) aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend van €27.979,- voor het jaar 2010 en de maanden augustus tot en met december 2014 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2008, 2009, 2011 tot en met 2013, de maanden januari tot en met juli van 2014 en 2015.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 december 2024, ingekomen op diezelfde datum, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 4 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 16 februari 2026 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 18 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 4 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie met enkele producties ingediend
- Gemachtigde heeft daar op 30 maart 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Motivering bestreden besluit / zorgvuldigheid / volledig dossier
Belanghebbende voert aan, samengevat weergegeven, dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Belanghebbende verzoekt daarnaast om het volledige dossier.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van belanghebbende dat de motivering van het bestreden besluit onvolledig moet worden geacht of dat de voorbereiding daarvan onzorgvuldig is geweest. De Commissie constateert dat UHT in bezwaar een schriftelijke beschouwing heeft ingediend, waarin UHT een aanvullende uitgebreide uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelingsformulier, overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: “LIC”) en overige producties. Naar het oordeel van de Commissie is het bestreden besluit hierdoor voorzien van een kenbare motivering.
Voorts overweegt de Commissie dat de schriftelijke beschouwing en het bezwaardossier op 23 december 2025 aan gemachtigde zijn gezonden. Gemachtigde en belanghebbende hebben hierdoor kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en zij hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog stukken zouden ontbreken die van belang zijn voor het door UHT genomen besluit.
Van enige schending van het bepaalde bij artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is dan ook niet gebleken. De door belanghebbende in dit verband ontwikkelde bezwaren kunnen dus niet tot het door haar gewenste doel leiden.
Compensatie
Compensatieberekening
UHT heeft in reactie op het bezwaar van belanghebbende de compensatieberekening over 2010 en 2014 nagerekend en vastgesteld dat die berekening op enkele punten onjuist is geweest. De toeslagrente over gemiste KOT (component o in de compensatieberekening) over het jaar 2010 is onjuist. Het juiste bedrag is €6.645,-. Nu het bezwaar van belanghebbende reeds om deze reden deels gegrond is, dient de immateriële schade (component n) en de 1%-vergoeding over het totaal (component p) te worden aangepast.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en adviseert UHT het bezwaar tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO gedeeltelijk gegrond te verklaren, het betreffende besluit te herroepen en de compensatieberekening aan te passen zoals hiervoor omschreven.
Afwijzing compensatie
Belanghebbende heeft concreet bezwaren aangevoerd tegen de herbeoordeling over de jaren 2008, 2011, 2012, 2013 en 2015. De Commissie zal die bezwaren hierna per jaar afzonderlijk bespreken.
Toeslagjaar 2008
Belanghebbende voert aan dat in het dossier een melding van 5 juni 2008 is opgenomen (pagina 22 bezwaardossier) waar wordt verwezen naar een wijziging van 16 februari 2008 en waar “KLOP” staat. Belanghebbende voert aan dat verdere informatie over die wijziging ontbreekt en zij vraagt UHT naar de betekenis van “KLOP”. Er is gebeld met belanghebbende en er is aan haar gevraagd om een contract en facturen op te sturen.
Die uitvraag is volgens belanghebbende vooringenomen geweest.
UHT heeft in haar nadere schriftelijke beschouwing antwoord gegeven op de ter zitting door de Commissie in dit verband geformuleerde vragen. De afkorting “KLOP” staat voor Klantinformatiemodule Ondernemingen en Particulieren. Dit is een programma waarmee de gegevens uit een aantal andere applicaties bekeken kunnen worden. KLOP is vooral bestemd voor medewerkers die vragen van klanten beantwoorden.
Wat betreft de uitvraag bij belanghebbende heeft UHT in haar nadere schriftelijke reactie afdoende toegelicht dat de aanleiding hiervoor gelegen was in het feit dat de opvanguren boven een bepaalde norm lagen hetgeen kennelijk aanleiding was voor B/T om bij belanghebbende informatie op te vragen (het contract en facturen).
Hiermee is naar het oordeel van de Commissie voldoende helderheid verschaft in reactie op de bezwaren van belanghebbende over het jaar 2008. De Commissie ziet hierin geen aanknopingspunten om tot vooringenomenheid te concluderen. Dit onderdeel van het bezwaar kan daarom niet slagen.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende voert aan dat uit het dossier valt te herleiden dat B/T over het jaar 2011 ten onrechte is uitgegaan van de aanwezigheid van een toeslagpartner (blijkend uit het RKT-bestand, onder het kopje ‘persoonsrelatie’). Belanghebbende had geen toeslagpartner. Verder heeft de Commissie UHT verzocht om de ontbrekende facturen over te leggen.
UHT heeft in haar nadere schriftelijke beschouwing uiteengezet dat de bsn-gegevens waarnaar belanghebbende heeft verwezen te herleiden zijn tot [naam], de ouder van belanghebbende. Dit bsn is ook te vinden in het RKT-bestand van 2008, 2009 en 2010. In de KOT-beschikkingen is evenwel nimmer gerekend met een toeslagpartner van belanghebbende, aldus UHT.
De Commissie kan in de stukken evenmin aanwijzingen vinden dat in de toekenning van de KOT is gerekend met een toeslagpartner. Het bezwaar kan in zoverre niet slagen.
Voor wat betreft de ontbrekende stukken (facturen) heeft UHT erop gewezen dat die wel in het dossier zijn opgenomen (productie 1211006, vanaf pagina 298 bezwaardossier). Ook ten aanzien van dit punt is dus voldoende duidelijkheid verschaft.
Toeslagjaar 2012
Belanghebbende voert aan, samengevat, dat blijkens de stukken de KOT ambtshalve is stopgezet (verwijzend naar het overzicht Beslissingen nrs 7 en 8 met datum 14 mei 2013, pagina 105 bezwaardossier en de TVS-melding “namens burger” op pagina 478 bezwaardossier). Zij verzoekt duidelijkheid te verschaffen ten aanzien van de daaruit voortvloeiende voorschotbeschikkingen die zijn afgegeven over 2012 en 2013 op 8 juni 2013 (pagina 336 en 346 bezwaardossier).
UHT heeft in haar aanvullende schriftelijke beschouwing uiteengezet wat de feitelijke gang van zaken is geweest. De automatische continuering van de KOT is stopgezet.
De zoon van belanghebbende, [naam], is in november 2011 vier jaar geworden. Uit het contract blijkt dat de overeenkomst eindigde op het moment dat [naam] vier werd (pagina 292 bezwaardossier). Belanghebbende heeft op 16 december 2011 een brief gehad dat de KOT voor 2012 niet automatisch verlengd zou worden (pagina 326 bezwaardossier). In deze brief wordt belanghebbende in de gelegenheid gesteld opnieuw een aanvraag te doen. Het stopzetten van de automatische continuering voldoet daarmee aan de voorwaarden, aldus UHT.
Verder heeft UHT toegelicht dat de voorschotbeschikkingen van 8 juni 2013 en 21 juni 2013 niet voortvloeien uit de stopzetting van de automatisch continuering maar uit de stopzetting door ouder zelf per 1 december 2012 (TVS-melding pagina 478 bezwaardossier).
De Commissie meent dat met deze toelichting en gegeven het feit dat belanghebbende hier verder niet op heeft gereageerd, de gang van zaken ten aanzien van het jaar 2012 afdoende is opgehelderd en dat, uitgaande van de stopzetting van de KOT door belanghebbende per 1 december 2012, geen sprake is geweest van vooringenomen handelen, noch van hardheid. Dit bezwaar slaagt daarom niet.
Toeslagjaar 2013
Belanghebbende voert aan dat de KOT over 2013 volledig is verrekend met vorderingen uit het jaar 2010. Dit is geen normale gang van zaken. Belanghebbende doet een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 9.1 Wht.
UHT heeft toegelicht dat B/T gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot verrekening. In het geval een ouder door de verrekening niet meer (geheel) de lopende kosten voor kinderopvang kan voldoen, kan ouder verzoeken om de verrekening ongedaan te maken (artikel 79.5b van de Leidraad Invordering).
De Commissie overweegt als volgt en stelt daarbij voorop dat niet in geschil is dat B/T een wettelijke bevoegdheid tot verrekening heeft. De Commissie verstaat het beroep op de hardheidsclausule ex artikel 9.1 van de Wht aldus, dat belanghebbende vindt dat de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik is gemaakt, onredelijk is.
De Commissie stelt vast dat de hardheidsclausule uitsluitend is bedoeld voor bijzondere situaties waarin niet is voorzien, en waarin toepassing van de wetsbepaling tot een zeer onbillijke uitkomst leidt. De Commissie kan begrijpen dat belanghebbende door de wijze van verrekening in financiële problemen is geraakt en dat dat voor haar bijzonder stressvol moet zijn geweest. Daar staat tegenover dat B/T gebruik maakte van een wettelijke bevoegdheid en dat het belanghebbende vrij stond om een verzoek in te dienen om de verrekening ongedaan te maken. Hiermee is voorzien in een mogelijkheid om de gevolgen van de verrekening terug te draaien, althans te verzachten. Daar is door belanghebbende geen gebruik van gemaakt. Verder is niet gebleken dat door de verrekening opvangproblemen zijn ontstaan. Belanghebbende heeft immers de KOT per 1 december 2012 stopgezet. Dit alles bij elkaar maakt naar het oordeel van de Commissie dat er in de gegeven omstandigheden zoals deze uit de stukken naar voren komen onvoldoende aanleiding is om een compensatie toe te kennen op grond van de hardheidsclausule.
Toeslagjaar 2015
De Commissie neemt met instemming kennis van de erkenning van UHT dat over de maanden januari tot en met maart 2015 sprake is geweest van vooringenomen handelen en dat belanghebbende recht heeft op compensatie over die maanden. De compensatieberekening zal voor dit jaar worden aangevuld. In zoverre slaagt het bezwaar van belanghebbende en moet het besluit ook in zoverre worden herroepen.
Individueel Subjectgericht Toezicht (IST)
Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat zij onderworpen is aan een vorm van toezicht (melding “IST”, pagina 98 bezwaardossier) en vraagt hoe dat is betrokken bij de herbeoordeling in deze zaak.
UHT erkent dat belanghebbende onderworpen was aan toezicht. Dit kan te maken hebben gehad met de aanpak van fraude. UHT stelt verder dat belanghebbende niet staat vermeld op de Fraude Signalering Voorziening-lijst. Uit de beschikbare stukken blijkt niet dat deze IST-melding betrokken is bij de herbeoordeling.
Belanghebbende heeft hierop gereageerd en meent dat UHT alsnog inzichtelijk moet maken waarom zij door B/T is onderworpen aan toezicht.
De Commissie kan begrijpen dat de reactie van UHT voor belanghebbende een niet bevredigend antwoord is op haar vragen ten aanzien van het toezicht dat plaats heeft gevonden. De Commissie geeft UHT in overweging hierover in het besluit op bezwaar alsnog nadere duidelijkheid te verschaffen. Op basis van het beoordelingskader van de Commissie ziet de Commissie geen aanknopingspunten om te adviseren dat op grond hiervan alsnog compensatie of een tegemoetkoming voor niet gecompenseerde jaren moet worden toegekend. Dit onderdeel van het bezwaar slaagt niet.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren deels gegrond zijn en zullen moeten leiden tot herroeping van de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHO, zal de Commissie UHT adviseren de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO gedeeltelijk gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen en om:
- de compensatieberekening als volgt aan te passen:
- compensatie wegens vooringenomen handelen toe te kennen over de maanden januari tot en met maart 2015;
- de toeslagrente over gemiste KOT over 2010 vast te tellen op € 6.645,-
- de einddatum van de vergoeding van immateriële schade vast te stellen op de datum van de beslissing op bezwaar;
- de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter