Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16151

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 26 september 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 23 maart 2026 om 15:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van € 5.601,- voor de jaren 2013 en 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 11 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 en 2014.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 juli 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden, maar dat voor de terugvordering over de jaren 2013 en 2014 een Opzet/Grove Schuld (hierna O/GS)-tegemoetkoming dient te worden verleend.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van € 5.601,-. Deze toekenning bleef onder het op grond van de Catshuisregeling al toegekende bedrag van € 30.000.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 oktober 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 juni 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 6 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 23 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Ter gelegenheid van de hoorzitting hebben gemachtigde en UHT aangegeven met elkaar in overleg te willen treden over een mogelijke minnelijke regeling. Daarbij is afgesproken dat gemachtigde het bezwaar nader zou toelichten indien binnen een week geen schikking tot stand zou komen. UHT heeft de Commissie vervolgens bericht dat aan belanghebbende een vaststellingsovereenkomst is aangeboden, maar dat deze niet ondertekend retour is ontvangen. Gemachtigde heeft (vervolgens) geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om haar bezwaar nader toe te lichten.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.

Dossier

De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheidsbeginsel

De Commissie overweegt dat UHT de bestreden beschikking van 26 september 2024 met kenmerk UHT-DCHO in bezwaar opnieuw heeft beoordeeld en daarbij heeft onderzocht of de van belang zijnde feiten en omstandigheden op juiste wijze in de besluitvorming zijn betrokken. UHT heeft de berekening van de tegemoetkoming wegens onterechte O/GS gebaseerd op de in het dossier aanwezige gegevens, waaronder voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen en wijzigingen van de KOT. Voor zover belanghebbende heeft aangevoerd dat de voorbereiding van de besluiten onzorgvuldig is geweest, geldt dat eventuele onvolkomenheden in de voorbereiding in bezwaar kunnen worden hersteld. De Commissie ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek of de voorbereiding van de bestreden beschikkingen zodanig gebrekkig is geweest dat de beschikkingen daarom niet in stand kunnen blijven. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Motiveringsbeginsel

De Commissie overweegt dat UHT in de bestreden beschikkingen per toeslagjaar heeft uiteengezet of aanspraak bestaat op enige herstelregeling en hoe het toegekende bedrag is berekend. Voor zover de motivering in de primaire fase volgens belanghebbende ontoereikend was, geldt dat een motiveringsgebrek in bezwaar kan worden hersteld door een nadere toelichting in de beschouwing en met verwijzing naar de onderliggende stukken. Met de in bezwaar gegeven toelichting en de overgelegde producties is naar het oordeel van de Commissie voldoende inzichtelijk gemaakt hoe UHT tot de beslissing is gekomen. Dat belanghebbende zich met die uitkomst niet kan verenigen, maakt niet dat sprake is van een ondeugdelijke motivering. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Evenredigheidsbeginsel

De Commissie overweegt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de toepassing van het wettelijke compensatiestelsel in dit geval leidt tot gevolgen die zo onevenredig zijn dat UHT van dat stelsel had moeten afwijken. De enkele stelling dat het besluit nadelige gevolgen heeft, is daarvoor onvoldoende. Daarbij neemt de Commissie in aanmerking dat de wetgever binnen de hersteloperatie heeft gekozen voor een stelsel van vaste vergoedingen en dat slechts onder bijzondere omstandigheden aanleiding kan bestaan om daarvan af te wijken. Van zulke bijzondere, niet in de wet verdisconteerde omstandigheden is in deze zaak niet gebleken. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Gelijkheidsbeginsel

De Commissie overweegt dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen kan slagen als belanghebbende concrete, met zijn situatie vergelijkbare gevallen noemt waarin UHT gunstiger heeft beslist. Belanghebbende heeft dergelijke gevallen niet genoemd of onderbouwd. De enkele stelling dat andere gedupeerde ouders anders of gunstiger zijn behandeld, is onvoldoende om schending van het gelijkheidsbeginsel aan te nemen.

Reeds daarom kan deze bezwaargrond niet slagen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2013

De Commissie overweegt dat de neerwaartse correctie van de KOT over 2013 het gevolg is van een reguliere controle, waarbij belanghebbende na herhaalde informatieverzoeken niet heeft gereageerd. Daarom is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van vooringenomen handelen. Voorts overweegt de Commissie dat niet aannemelijk is geworden dat bij de terugvordering van de KOT over 2013 sprake is geweest van hardheid van het stelsel. Daarbij neemt de Commissie in aanmerking dat de KOT op het eigen rekeningnummer is uitbetaald en niet is gebleken van een kleine formele tekortkoming, deelbetaling van de opvangkosten, fraude door een derde of andere bijzondere omstandigheden. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2014

De Commissie overweegt dat de neerwaartse correctie van de KOT over 2014 het gevolg is van een reguliere controle, waarbij belanghebbende na herhaalde informatieverzoeken niet heeft gereageerd. Daarom is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van vooringenomen handelen. Voorts overweegt de Commissie dat niet aannemelijk is geworden dat bij de terugvordering van de KOT over 2014 sprake is geweest van hardheid van het stelsel. Daarbij neemt de Commissie in aanmerking dat de KOT op het eigen rekeningnummer is uitbetaald en niet is gebleken van een kleine formele tekortkoming, deelbetaling van de opvangkosten, fraude door een derde of andere bijzondere omstandigheden. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

O/GS in toeslagjaren 2013 en 2014

De Commissie overweegt dat de O/GS-tegemoetkoming ingevolge de Wht 30% bedraagt van het bedrag van de terugvordering waarvoor geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd. Uit de overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna LIC) volgt dat het in 2013 en 2014 in totaal gaat om een bedrag van € 18.668. UHT heeft de O/GS-tegemoetkoming daarom terecht berekend op 30% van dat bedrag, zijnde €5.601. De Commissie ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze berekening onjuist is. De Commissie overweegt verder dat belanghebbende reeds ambtshalve het forfaitaire bedrag van € 30.000 heeft ontvangen. Toekenning van dat bedrag betekent niet dat daarnaast nog afzonderlijk aanspraak bestaat op uitbetaling van een O/GS-tegemoetkoming. Voor zover op andere wijze al in een vergoeding of tegemoetkoming is voorzien, blijft verdere uitbetaling achterwege. Dat betekent dat UHT de berekende O/GS-tegemoetkoming terecht niet alsnog heeft uitbetaald en geen correctie hoefde toe te passen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Proceskosten

Nu het bezwaar ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter