Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16147

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 11 juli 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: geen

Overdracht advies aan UHT: 9 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 juli 2024 waarbij belanghebbende is meegedeeld:

-    dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2007 tot en met 2019 is gebleken van fouten met betrekking tot de toeslagjaren 2008, 2009 en 2014. Over de toeslagjaren 2012 en 2013 heeft belanghebbende recht op een tegemoetkoming opzet/grove schuld. Belanghebbende daarom recht heeft op een totaal compensatiebedrag van € 64.144.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • Bij brief van 23 juni 2021 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, recht heeft op een betaling van € 30.000.
  • Op 17 juni 2024 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) haar oordeel kenbaar gemaakt. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2007, 2010 tot en met 2013 en 2015 tot en met 2019 geen herstelregeling van toepassing is. Voor de toeslagjaren 2008, 2009 en 2014 is de compensatieregeling wel van toepassing. Voorts dient over de toeslagjaren 2012 en 2013 een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS-tegemoetkoming) te worden verleend.
  • Bij brief van 11 juli 2024 is het bestreden besluit genomen.
  • Bij brief van 15 augustus 2024 heeft gemachtigde tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  • Op 3 juli 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 4 maart 2026 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
  • Op 3 april 2026 heeft UHT op de aanvullende gronden van bezwaar gereageerd.
  • Gemachtigde heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan een hoorzitting. De Commissie ziet, op grond van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), daarom af van het horen van belanghebbende.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.

De waarde van hoor en wederhoor

De Commissie constateert dat de belanghebbende blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de aanvullende reactie van de gemachtigde over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de BAC. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De BAC volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de BAC, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.

Dossier

De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander niet leidt tot het herroepen ervan. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

FSV, O/GS en discriminatie

Gemachtigde heeft aangevoerd dat over de O/GS-kwalificatie en discriminatie geen algemene informatie te vinden is in het dossier. Ten aanzien van de FSV-check stelt gemachtigde dat dit een vast onderdeel betreft van het herstelproces en dat de onderliggende stukken overgelegd dienen te worden. De Commissie adviseert UHT om aan belanghebbende een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar. Ten aanzien van discriminatie overweegt de Commissie dat van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, uit de ter beschikking staande stukken niet is gebleken. De Commissie adviseert UHT de bezwaren ongegrond te verklaren.

Verrekeningen

Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

Werkelijk geleden schade

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl.

Informatie uit de KOI-viewer

Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft onvoldoende informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Omissies / niet toegekende KOT

Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Herbeoordeelde toeslagjaren

De KOT voor 2007, 2012, 2013, 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van een stopzetting door belanghebbende, een gewijzigd toetsingsinkomen, wijzigingen in het uurtarief en het aantal opvanguren en een hoger toetsingskomen. De Commissie ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de producties waaruit dit blijkt. Met betrekking tot toeslagjaar 2010 hebben er geen neerwaartse correcties plaatsgevonden. Compensatie is in dat geval, in beginsel, niet aan de orde. De twee neerwaartse correcties (van 15 november 2019 en van 13 februari 2021) vonden plaats na 23 oktober 2019. Er is gelet hierop ten aanzien van belanghebbende vóór 23 oktober 2019 geen sprake geweest van institutionele vooringenomenheid van B/T bij de uitvoering van de KOT. Dit is wel een voorwaarde om voor compensatie in aanmerking te komen, tenzij er sprake is van een causaal verband. Daarvan is niet gebleken.

De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.

Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.

Voor het toeslagjaar 2011 heeft UHT aanleiding gezien om een herzieningsverzoek in te dienen bij de bevoegde afdeling. De Commissie adviseert de uitkomst van de herziening op te nemen in de beslissing op bezwaar.

Compensatieberekening

Component ‘o’ in de compensatieberekening is onjuist vastgesteld. Echter, de gehanteerde bedragen zijn in het voordeel van belanghebbende. Daarom adviseert de Commissie de toegekende bedragen niet aan te passen in de beslissing op bezwaar.

Overige bezwaren

De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskosten

Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • het bestreden besluit niet te herroepen;
  • het bezwaar ongegrond te verklaren;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter