BAC 2025-16146
Publicatiedatum 06-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 7 augustus 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 19 februari 2026
Overdracht advies aan UHT: 8 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen het besluit met het kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren en het verzoek van belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen, af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 7 augustus 2024.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 en 2009 tot en
met 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 februari 2023 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2014.
In overleg met belanghebbende is de periode gewijzigd naar de jaren 2007 en 2009 tot en met 2014. - UHT heeft bij beschikking van 18 juni 2024 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
- De Commissie van Wijzen heeft op 30 juli 2024 aan UHT geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of andere bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit van 7 augustus 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een vergoeding voor de toeslagjaren 2007 en 2009 tot en met 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 26 september 2024, ingekomen op
30 september 2024, tegen dit besluit bezwaar gemaakt. - Gemachtigde heeft bij brief van 19 november 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 1 augustus 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 19 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 13 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft de Commissie op
23 april 2026 bericht geen aanvullingen te hebben. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming af te wijzen.
Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn door UHT op 28 mei 2025 respectievelijk 1 augustus 2025 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie is van oordeel dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht.
Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat er geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals bepaald in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over haar volledige dossier en verzoekt specifiek om de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC), de tijdlijn, het informatie- en beoordelingsformulier en de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Daarbij merkt de Commissie op dat het beginsel van equality of arms in de bezwaarfase geen zelfstandige rol speelt (vgl. ABRvS 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3391). Op grond van artikel 7:4, tweede lid, Awb heeft belanghebbende echter wel recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan de hoorzitting. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een ouderdossier op 28 mei 2025 ontvangen.
De stukken zijn aangevuld met de met de beschouwing van 1 augustus 2025 en de daarbij gevoegde, aan belanghebbende toegezonden producties. Belanghebbende heeft de gelegenheid gekregen om haar standpunt verder uiteen te zetten. Verder merkt de Commissie op dat UHT de later verzochte stukken aan het dossier heeft toegevoegd.
Niet beoordeelde toeslagjaren
De Commissie stelt vast dat UHT tijdens de hoorzitting heeft toegezegd dat de niet in de herbeoordeling betrokken toeslagjaren alsnog worden (her)beoordeeld.
De Commissie adviseert UHT haar toezegging gestand te doen.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij over de jaren 2007 en 2009 tot en met 2014 alsnog voor compensatie in aanmerking moet komen. Daaromtrent overweegt de Commissie als volgt.
Toeslagjaar 2007
Ten aanzien van toeslagjaar 2007 heeft één neerwaartse correctie plaatsgevonden (op 1 mei 2007 van € 6.400 naar € 0). Dit was het gevolg van informatie vanuit de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) dat belanghebbende sinds 1 mei 2007 geen geldige verblijfsstatus had.
UHT stelt dat B/T in beginsel uit mag gaan van informatie die hij van de IND ontvangt. De IND en de Belastingdienst zijn beide overheidsinstanties die gegevens uitwisselen in het kader van het toezicht op verblijfsrecht en fiscale verplichtingen. De bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd.
De Commissie onderschrijft dit standpunt van UHT. Dat betekent dat er van vooringenomen handelen geen sprake is geweest. Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS), zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2009
De Commissie constateert dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet is gebleken van neerwaartse correcties in de KOT over het toeslagjaar 2009. Het is dus niet aannemelijk dat belanghebbende over dit toeslagjaar gedupeerd is door het handelen van B/T en op grond van de Wht in aanmerking komt voor compensatie. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2010
De Commissie constateert er dat er twee neerwaartse correcties van de KOT hebben plaatsgevonden. De eerste neerwaartse correctie (van € 10.086 naar
€ 10.046) was het gevolg van een door belanghebbende op 8 april 2010 doorgegeven verhoging van het toetsingsinkomen. De tweede neerwaartse correctie (van € 12.182 naar € 12.132 op 7 augustus 2010) werd eveneens veroorzaakt door een wijziging van het toetsingsinkomen. Belanghebbende heeft die wijzigingen in het toetsingsinkomen niet betwist. De wijzigingen waren dus regulier. De wijzigingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd.
Dergelijke wijzigingengeven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2011
De Commissie constateert er dat er één neerwaartse correctie heeft plaats-gevonden op 5 november 2013. De KOT werd verlaagd van € 15.163 naar € 14.959 Deze wijziging was gebaseerd op een door belanghebbende ingestuurde jaaropgave 2011 van het afgenomen aantal uren opvang. Belanghebbende heeft de juistheid van deze wijziging op zichzelf niet betwist. De wijziging is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke wijzigingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS), zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2012
De KOT is in 2012 eenmaal verlaagd (van € 14.720 maar € 9.682) op 21 september 2012 als gevolg van een daling in het aantal opvanguren van een van de kinderen van belanghebbende. Belanghebbende heeft de juistheid van die wijziging niet betwist. De wijziging is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke wijzigingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS), zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2013
De Commissie constateert er dat er één neerwaartse correctie heeft plaats-gevonden. Op 31 juli 2015, waarbij de KOT werd verlaagd van € 8.772 naar € 225 naar aanleiding van gegevens in de KOI-viewer, waaruit bleek dat er behalve voor één kind in januari 2013 geen opvang heeft plaatsgevonden.
UHT stelt zich op het standpunt dat belanghebbende in 2013 evident geen recht op KOT had omdat zij geen doelgroeper was. Belanghebbende ontving een bijstandsuitkering en was, zo heeft zij ter gelegenheid van de hoorzitting verklaard, eind 2012 gestopt met haar inburgeringscursus. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij over 2013 wel als doelgroeper moet worden beschouwd omdat zij verplicht kon worden aan een re-integratiecursus deel te nemen. De Commissie volgt haar daarin niet. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in 2013 een re-integratie-cursus of een opleiding heeft gevolgd. Zij had dus ook geen recht op KOT. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2014
Ten aanzien van toeslagjaar 2014 hebben er twee neerwaartse correcties plaatsgevonden. De eerste neerwaartse correctie (van € 2.775 naar € 1.820 op
21 november 2014) was het gevolg van de stopzetting van de KOT op grond van informatie ontvangen van de gemeente dat belanghebbende op 28 augustus 2014 was geëmigreerd naar Groot-Brittannië. Er was volgens UHT geen reden voor B/T om aan deze informatie te twijfelen. Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende bevestigd dat zij op 28 augustus 2014 naar Engeland is vertrokken. Die stopzetting getuigde derhalve niet van vooringenomenheid.
De tweede neerwaartse correctie (van € 1.820 naar € 0) vond plaats op 7 januari 2016 naar aanleiding van het feit dat de KOI-viewer geen gegevens vermeldde over kinderopvang in 2016.
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat B/T mocht uitgaan van de juistheid van de informatie van de gemeente met betrekking tot de emigratie van belanghebbende en van de informatie uit de KOI-viewer dat geen opvang had plaatsgevonden omdat er geen opvang gegevens waren ingevuld. Belanghebbende heeft, anders dan op haar weg gelegen had, niet aannemelijk gemaakt dat in 2014 wel opvang heeft plaatsgevonden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende heeft ten slotte nog gesteld dat de door haar geleden immateriële schade groter is dan het daarvoor geldende forfaitaire bedrag van
€ 500 per half jaar en dat zij haar volledige schade vergoed wil hebben.
De Commissie gaat aan deze stelling voorbij. Belanghebbende komt pas voor een aanvullende vergoeding in aanmerking als zij als gedupeerde is erkend. Daarvan is vooralsnog geen sprake.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Conclusie
Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit met kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren en het verzoek een proceskostenvergoeding toe te kennen, af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter