BAC 2025-16139
Publicatiedatum 21-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 augustus 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 30 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 8 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit beoordeling kinderopvangtoeslag, hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2009.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 18 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2005 tot en met 2008 en 2010. Na overleg met belanghebbende is een herbeoordeling uitgevoerd over de toeslagjaren 2005 tot en met 2009.
- UHT heeft bij besluit van 12 april 2022 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij het bestreden besluit van 6 augustus 2024 aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2009.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 augustus 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 29 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 29 maart 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 30 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft op 30 maart 2026 schriftelijk gereageerd op de aanvullende gronden.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, heeft UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige herstel- en persoonlijk dossier niet kan worden beoordeeld of het besluit op goede gronden is genomen.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. UHT heeft de beschouwing en alle voor de beoordeling van de zaak van belang zijnde stukken toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Stukken O/GS
Gemachtigde verzoekt in het aanvullend bezwaarschrift om alle stukken met betrekking tot de beoordeling van opzet/grove schuld (hierna: O/GS).
De Commissie stelt vast dat uit het dossier volgt dat UHT tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is geweest van een (onterechte) kwalificatie O/GS.
Dat laat onverlet dat de Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid (naam) die op 10 maart 2026 is aangenomen (Kamerstukken II 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer de regering heeft verzocht te waarborgen dat ouders en hun gemachtigden standaard en actief inzage krijgen in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545.
Daarom adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan de beslissing op bezwaar, met inachtneming van het bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die van belang zijn voor de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan de beslissing op bezwaar.
Afwijzing compensatie
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2009 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De KOT over de toeslagjaren 2006, 2007 en 2008 werd niet verlaagd. De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2005 en 2009 waren gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. De KOT over het toeslagjaar 2005 is verlaagd, omdat uit de van de kinderopvanginstelling verkregen gegevens volgde dat belanghebbende minder opvanguren had afgenomen dan waarvoor zij KOT had aangevraagd. Er bestond voor B/T geen aanleiding om aan juistheid van deze gegevens te twijfelen. De eerste verlaging van de KOT over het toeslagjaar 2009 was het gevolg van een stopzetting van de KOT op 9 februari 2009 per 16 februari 2009. Belanghebbende stelt dat zij de KOT niet zelf heeft stopgezet. Zij heeft ter zitting verklaard dat de kinderopvanginstelling haar “KOT-zaken” met haar DigiD regelde. De Commissie is van oordeel dat het delen van DigiD-inloggegevens voor rekening en risico van belanghebbende komt en in onderhavige situatie dus niet leidt tot vooringenomen handelen. De tweede verlaging was het gevolg van een stijging van het toetsingsinkomen, daarmee is sprake van een reguliere wijziging.
De voorschotten over de toeslagjaren 2005 en 2009 zijn dus door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie heeft geen aanknopings-punten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er zijn ook geen aanwijzingen dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de onterechte veronderstelling dat deze opzettelijk dan wel met grove schuld onterecht KOT heeft ontvangen, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Vergewisplicht
Belanghebbende voert aan dat het onduidelijk is of UHT het oordeel van de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft getoetst en hierbij aan haar vergewisplicht heeft voldaan.
De Commissie stelt voorop dat de CvW een adviseur is in de zin van artikel 3:5 Awb. UHT mag zich daarom op het oordeel van de CvW baseren, nadat zij zich ervan vergewist heeft dat het onderzoek dat aan het oordeel ten grondslag ligt, op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten (artikel 3:9 Awb).De Commissie ziet geen aanleiding te oordelen dat UHT niet aan haar vergewisplicht heeft voldaan.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende bij de beslissing op bezwaar alsnog het oordeel van de CvW te verstrekken, omdat dit in het dossier ontbreekt.
Gelijkheids- en vertrouwensbeginsel
Belanghebbende stelt dat UHT in strijd met het gelijkheids- en vertrouwens-beginsel heeft gehandeld, omdat aan belanghebbende geen schikkingsvoorstel is gedaan en aan andere ouders die in bezwaar zijn gegaan wel.
De Commissie overweegt dat UHT alleen schikkingsvoorstellen doet aan belanghebbenden die als gedupeerde zijn aangemerkt. Dit heeft de Commissie ook in haar brief van 16 augustus 2024 aan belanghebbende toegelicht.
Aangezien belanghebbende niet als gedupeerde is aangemerkt, komt zij niet in aanmerking voor een schikkingsvoorstel. In dit geval is dus geen sprake van gelijke gevallen, waardoor het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin, omdat UHT en de Commissie niet het vertrouwen hebben gewekt dat ouders die niet als gedupeerde zijn aangemerkt ook een schikkingsvoorstel krijgen aangeboden. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om:
- het bestreden besluit in stand te laten;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter