Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16137

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 25 juli 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 26 januari 2026 om 13:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 27 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag, hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 3 maart 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013.
    Na overleg met belanghebbende is een herbeoordeling van de KOT uitgevoerd over de toeslagjaren 2006 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij besluit van 14 juli 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 juli 2024 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 14 augustus 2024, ingekomen op 14 augustus 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 30 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 12 januari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 26 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter aan het advies is gehecht.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 16 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op 3 maart 2026 daarop gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Dossier
Belanghebbende stelt dat het dossier niet volledig is, omdat de beschikkingen van het toeslagjaar 2007 waarnaar in het informatie- en beoordelingsformulier wordt verwezen niet in het dossier zijn opgenomen. UHT heeft aangegeven dat deze beschikkingen niet meer in de systemen van de B/T kunnen worden terug-gevonden. De Commissie overweegt dat deze beschikkingen wel in het SAS-overzicht staan vermeld. De Commissie volgt de stelling van belanghebbende daarom niet. De schriftelijke reactie en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2007
Gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat het bezwaar alleen nog op het toeslagjaar 2007 ziet en dat zij geen opmerkingen heeft ten aanzien van de overige beoordeelde toeslagjaren.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2007 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De KOT over dit jaar is verlaagd op grond van het op 5 september 2007 door belanghebbende ingestuurd wijzigingsformulier waarin zij heeft aangekruist dat zij de KOT per 15 augustus 2007 voor haar beide kinderen wil stopzetten. Zij heeft hierbij vermeld dat het alleen om de KOT voor haar oudste kind gaat. Het formulier wordt automatisch verwerkt. In de beschikking van 9 november 2007 is de KOT daarom voor beide kinderen per 15 augustus 2007 stopgezet. Uit de notitie gedateerd 14 november 2007 van het terugbelverzoek naar aanleiding van de neerwaartse beschikking volgt dat het formulier automatisch door het systeem van de B/T is verwerkt en dat de door belanghebbende op het formulier geplaatste toevoeging dat het slechts om de KOT van haar oudste kind ging niet door het systeem kon worden verwerkt.
De Commissie is van oordeel dat dit geen vooringenomen handeling van B/T betreft, maar een fout in het door belanghebbende ingevulde formulier. Belanghebbende heeft op 7 december 2007 opnieuw KOT voor haar destijds jongste kind aangevraagd per 15 augustus 2007. Vervolgens is de KOT in de beschikking van 14 januari 2008 alsnog toegekend. De Commissie begrijpt dat de stopzetting van de KOT en de daardoor verlate toekenning voor veel stress bij belanghebbende heeft gezorgd. De Commissie heeft echter geen aanknopingspunten gevonden dat belanghebbende hiervan uiteindelijk financieel nadeel heeft ondervonden. De KOT werd aan de kinderopvanginstelling uitbetaald. Het bedrag aan KOT dat aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald is lager dan de totale opvangkosten. De KOT is vastgesteld in overeenstemming met de jaaropgaven. De betalingen die belanghebbende heeft gedaan zagen op het gedeelte van de terugvordering dat zag op de teveel ontvangen KOT voor haar oudste kind. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om:

  • het bestreden besluit in stand te laten;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter