BAC 2025-16118
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 27 december 2024, met kenmerk (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 19 december 2025
Overdracht advies aan UHT: 10 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het jaar 2005.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 4 september 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2005.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor het jaar 2005.
- Gemachtigde heeft bij brief van 28 maart 2025 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 20 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 19 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Beoordeling afwijzing toeslagjaar 2005
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT het verzoek om compensatie over het toeslagjaar 2005 terecht heeft afgewezen.
Belanghebbende stelt dat er in 2005 slechts voor 93 uur aan KOT is toegekend. Dit is volgens hem veel te weinig aangezien hij destijds een aanvraag heeft gedaan voor structurele opvang, omdat hij en zijn partner het hele jaar werkten. Hieruit kan worden afgeleid dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) destijds niet conform de aanvraag heeft beslist, dan wel de KOT niet voor het hele jaar heeft toegekend.
Daarnaast betoogt belanghebbende dat uit het feit dat KOT in 2006 niet automatisch is gecontinueerd, en niet is gebleken van een stopzetting door ouder, kan worden afgeleid dat de KOT in 2005 is stopgezet door B/T. Uit het vorenstaande volgt volgens belanghebbende dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of van hardheid van B/T, of indien sprake is van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS-kwalificatie).
Naar de opvatting van de Commissie slaagt het betoog van belanghebbende niet en zij overweegt daartoe het volgende.
UHT heeft verklaard dat de aanvraag voor KOT voor het jaar 2005, de voorschotbeschikking en de definitieve beschikkingen op deze aanvraag niet meer in de systemen van B/T aanwezig zijn. Om die reden kan niet worden nagegaan voor hoeveel uur belanghebbende KOT heeft aangevraagd en of volgens aanvraag is beslist. Evenmin zijn er stukken aanwezig die de daadwerkelijk afgenomen kinderopvang aantonen.
Bezien moet worden of de stellingen van belanghebbende dat te weinig uren opvang zijn toegekend en dat KOT in 2005 ambtshalve door B/T is stopgezet aannemelijk zijn in het licht van de beschikbare gegevens.
De Commissie stelt op grond van het beschikkingenoverzicht (productie 1205001 van het ouderdossier) vast dat op 31 januari 2005 een voorschotbeschikking is afgegeven voor een bedrag van €190 zonder verdere specificaties. Uit het WKO-bestand (productie 1205003 van het ouderdossier) volgt dat KOT bij definitieve beschikking is toegekend voor een bedrag €297, voor 93 uur, met een uurtarief van €5,75 waarbij als begin- en einddatum van de kinderopvang 1 januari 2005 en 31 december 2005 zijn aangegeven. UHT heeft uiteengezet dat volgens de gebruikelijke gang van zaken in 2005 een voorschotbeschikking werd afgegeven op aanvraag van de belanghebbende. Na afloop van het jaar werden ouders die een voorschotaanvraag hadden gedaan uitgenodigd om een aanvraag om definitieve vaststelling van de KOT in te dienen, met daarin de uiteindelijke grondslagen voor toekenning. Zonder deze aanvraag met bescheiden werd geen definitieve beschikking afgegeven. In het systeem bevinden zich geen aantekeningen dat in dit geval in afwijking van de gebruikelijke gang van zaken is beslist. De Commissie acht daarmee aannemelijk dat het voorschot in 2005 volgens aanvraag van belanghebbende is verstrekt en dat de definitieve KOT-beschikking in overeenstemming is met de door belanghebbende zelf verstrekte gegevens betreffende de daadwerkelijk genoten kinderopvang. Anders dan belanghebbende betoogt, is de omstandigheid dat belanghebbende en zijn toeslagpartner beiden werkten en dat voor een veel minder aantal uren KOT is toegekend onvoldoende om aan te nemen dat gekwalificeerde opvang voor meer uren heeft plaatsgevonden dan in de beschikkingen is aangegeven. Met UHT acht de Commissie in dit verband van belang dat belanghebbende noch tegen de voorschotbeschikking, noch tegen de definitieve KOT-beschikkingen bezwaar heeft gemaakt, en ook geen verzoek om herziening heeft ingediend. Ook zijn er volgens de Commissie geen aanwijzingen dat B/T de KOT in 2005 ambtshalve zou hebben stopgezet. De omstandigheid dat KOT voor 2006 niet automatisch is gecontinueerd, is in dit geval daarvoor geen aanwijzing. Zoals UHT in de beschouwing heeft uiteengezet vond automatische continuering pas voor het eerst plaats vanaf de jaarwisseling 2006/2007, na inwerkingtreding van de Awir per 1 januari 2006.
Gelet op het vorenstaande volgt de Commissie UHT in haar standpunt dat er geen aanwijzingen zijn dat B/T jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld. UHT kan eveneens worden gevolgd in haar standpunt dat geen sprake is van hardheid, reeds omdat de KOT voor 2005 niet is verlaagd. Ook was geen sprake van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat geen recht bestaat op compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.
Beoordeling toeslagjaar 2006
Ter zitting heeft belanghebbende nog aangevoerd dat voor toeslagjaar 2006 ook recht zou bestaan op compensatie. Nu het verzoek van 4 september 2023 om herbeoordeling van de KOT uitsluitend ziet op toeslagjaar 2005 en belanghebbende voorafgaande aan de bestreden beschikking niet heeft verzocht om uitbreiding van het verzoek met toeslagjaar 2006, ziet de Commissie geen mogelijkheden om dit toeslagjaar (alsnog) in haar advisering te betrekken. Ten overvloede overweegt de Commissie dat nu belanghebbende voor 2006 geen KOT heeft aangevraagd en er door B/T met betrekking tot dit berekeningsjaar ook geen beschikkingen zijn afgegeven, dit jaar op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, buiten het bereik van de hersteloperatie valt.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren naar de mening van de Commissie ongegrond zijn en de bestreden beschikking in stand kan blijven, bestaat er geen recht op vergoeding voor de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, de bestreden beschikking in stand te laten en geen vergoeding toe te kennen voor de kosten van rechtsbijstand.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter