BAC 2025-16102
Publicatiedatum 15-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 12 december 2023 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 16 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 13 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 12 december 2023 met kenmerk UHT-DCHO gedeeltelijk gegrond te verklaren en te herroepen, en alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2008 op grond van hardheid en voor het toeslagjaar 2009 op grond van vooringenomenheid. De Commissie adviseert tevens een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 12 december 2023 met kenmerk UHT-DCHO.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 8.588 voor de periode januari tot en met maart 2010 op grond van vooringenomenheid, maar geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2008, 2009, de periode april tot en met december 2010 en de toeslagjaren 2011 tot en met 2013. Voor de toeslagjaren 2009 en 2011 tot en met 2013, alsmede voor de periode april tot en met december 2010 is aan belanghebbende wel een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend voor een bedrag van € 10.203. Omdat belang-hebbende reeds € 30.000 heeft ontvangen op grond van de Catshuisregeling volgde geen nabetaling.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2008 tot en met 2012. Na overleg tussen belanghebbende en UHT zijn de toeslagjaren 2008 tot en met 2013 beoordeeld.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 september 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2008, 2009, 2011 tot en met 2013 en de periode april tot en met december 2010.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 12 december 2023 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 8.588 voor de periode januari tot en met maart 2010 op grond van vooringenomenheid, maar geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2008, 2009, de periode april tot en met december 2010 en de toeslagjaren 2011 tot en met 2013. Voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 heeft belanghebbende wel recht op een O/GS-tegemoetkoming voor een bedrag van
€ 10.203. - Gemachtigde heeft bij brief van 19 januari 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 23 januari 2025 schriftelijk gereageerd.
- Op 16 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Ter zitting is door de Commissie met partijen afgesproken dat zij één week de tijd krijgen om opnieuw te onderhandelen over een mogelijke schikking. Deze onderhandelingen hebben uiteindelijk niet geleid tot een schikking.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Onvolledig dossier, persoonlijk dossier en equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of een volledig ouderdossier en daardoor niet over de voor het voeren van het bezwaar benodigde documenten beschikt.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 29 september 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling toeslagjaren 2008 tot en met 2013
De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van de bestreden beschikking, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de periode januari tot en met maart 2010 op grond van vooringenomenheid, alsmede de O/GS-tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 op de juiste wijze heeft berekend. Voorts zal de Commissie de vraag beantwoorden of UHT, terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2008 en 2009, de periode april tot en met december 2010 en de toeslagjaren 2011 tot en met 2013, af te wijzen.
Beoordeling forfaitaire compensatieberekening periode januari tot en met maart 2010
Belanghebbende stelt dat zij de compensatieberekening niet heeft kunnen controleren door het ontbreken van onderliggende stukken. Daarnaast betwist zij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade.
De Commissie overweegt dat belanghebbende in de schriftelijke beschouwing van 23 januari 2025 een nadere toelichting heeft ontvangen op de berekening van het compensatiebedrag. Daarnaast is als bijlage bij die beschouwing een per onderdeel uitgesplitste compensatieberekening verstrekt, zodat belanghebbende de juistheid van de berekening kan verifiëren. In de schriftelijke beschouwing op het bezwaar constateert UHT dat de berekening van de compensatie op een aantal punten moet worden aangepast. UHT heeft daartoe een aangepaste compensatieberekening opgesteld, waarin de voorgenomen correcties zijn opgesomd. UHT acht het bezwaar op dit onderdeel dan ook gegrond, hetgeen tot gevolg heeft dat de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade doorloopt tot de datum van de beslissing op bezwaar.
De Commissie sluit zich aan bij dit standpunt en adviseert om, in lijn met de door UHT gedane toezegging, het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen. De (gedeeltelijke) gegrondbevinding van het bezwaar zal ook leiden tot aanpassing van alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende, vergoedingen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie om daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2008
UHT heeft daarnaast in de schriftelijke beschouwing aangegeven dat belanghebbende alsnog recht heeft op een compensatie op grond van hardheid voor het toeslagjaar 2008. Dit heeft tot gevolg dat de aanvangsdatum van de vergoeding voor immateriële schade wordt aangepast van 3 februari 2012 naar
20 juli 2011. De Commissie zal UHT dienovereenkomstig adviseren.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2009 en 2013
Belanghebbende stelt aanspraak te maken op compensatie voor de toeslagjaren 2009 en 2013. Ten aanzien van het toeslagjaar 2009 stelt zij dat de nihilstelling van de KOT getuigt van een vooringenomen handelswijze door B/T.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, voor zover hier van belang, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van vooringenomenheid of van hardheid in de handelwijze van B/T.
Toeslagjaar 2009
De Commissie stelt vast dat de KOT voor het toeslagjaar 2009 op 29 september 2012 nihil is gesteld naar aanleiding van een ambtshalve stopzetting door B/T. Belanghebbende voert aan dat deze stopzetting wijst op vooringenomen handelen, omdat zij betwist dat B/T vraagbrieven heeft verzonden en zij daardoor onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aannemelijk te maken. De Commissie overweegt als volgt.
Uit het dossier blijkt dat belanghebbende op 26 september 2010 een antwoordformulier aan B/T heeft geretourneerd, inclusief een opgave van de gemaakte opvangkosten en een jaaropgave van haar werkgever. UHT stelt dat, omdat een jaaropgave van de kinderopvang ontbrak bij het antwoordformulier, B/T destijds onvoldoende gegevens had om het recht op KOT vast te stellen. Voorts wijst UHT op de in het dossier aanwezige vraagbrieven van 2 februari 2012 en 22 mei 2012, waaruit zou volgen dat belanghebbende voldoende is uitgevraagd. Volgens UHT is daarom geen sprake geweest van vooringenomen handelen door B/T. De Commissie wijst er echter op dat de door UHT genoemde vraagbrieven, onderscheidenlijk voorzien van een grijs vlak op de plaats waar een ondertekening zou moeten staan en gelet op de bij de brief van 22 mei 2012 in de marge weergegeven aanwijzing, kennelijk concepten betreffen en acht het, gelet op de verklaring van belanghebbende, niet aannemelijk dat deze concept-vraagbrieven, laat staan een definitief vastgesteld exemplaar daarvan, daadwerkelijk naar haar zijn verzonden. De Commissie is daarom van mening dat de nihilstelling door B/T duidt op een vooringenomen handelswijze.
Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. De Commissie heeft in het dossier geen aanwijzingen aangetroffen dat van dergelijke ernstige onregel-matigheden sprake is. Daarbij weegt de Commissie mee dat belanghebbende, zoals reeds hiervoor opgemerkt, een antwoordformulier aan B/T heeft geretourneerd waarop staat vermeld dat zij € 5.662 aan opvangkosten heeft gehad en dat zij daarbij tevens een jaaropgave van haar werkgever heeft overgelegd.
De Commissie adviseert UHT daarom alsnog over te gaan tot compensatie voor het toeslagjaar 2009 op grond van vooringenomenheid. Daarbij zal de reeds toegekende O/GS-tegemoetkoming worden verrekend. Het bezwaar is in zoverre gegrond.
Toeslagjaar 2013
Voor het toeslagjaar 2013 is sprake van één neerwaartse bijstelling van de KOT.
Op 21 maart 2013 is de KOT door B/T nihilgesteld naar aanleiding van een stopzetting door of namens belanghebbende. Dit blijkt uit de stopzettingsmelding van 12 februari 2013, met broncode “07 - namens burger”. De Commissie acht het aannemelijk dat de KOT per 1 januari 2013 door of namens belanghebbende zelf is stopgezet.
Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat het niet aannemelijk is dat er bij de behandeling van de KOT voor het toeslagjaar 2013 sprake is geweest van (institutioneel) vooringenomen handelen door B/T. De bijstelling is conform de wet uitgevoerd. Een dergelijke bijstelling geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Beoordeling afwijzing compensatie periode april tot en met december 2010 en de toeslagjaren 2011 en 2012
UHT voert aan dat, hoewel sprake was van vooringenomenheid voor de periode april tot en met december 2010 en de toeslagjaren 2011 en 2012, er sprake is van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond. Volgens UHT is in de genoemde periode en toeslagjaren geen sprake geweest van kinderopvang, omdat belanghebbende dit zelf heeft verklaard in haar ouderverhaal en omdat voor deze periode geen opvanggegevens bekend zijn in de kinderopvanginstelling-viewer. Voor het toeslagjaar 2012 heeft belanghebbende dit bovendien bevestigd op het geretourneerde antwoordformulier.
De Commissie overweegt als volgt. Zoals reeds hiervoor is overwogen, blijft toekenning van compensatie op grond van artikel 2.1, lid 2, van de Wht achterwege indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien een belanghebbende evident geen recht had op KOT.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende in haar ouderverhaal heeft verklaard dat zij vanaf april 2010 de kosten van kinderopvang niet meer kon betalen en om die reden geen gebruik meer maakte van geregistreerde kinderopvang. Zij heeft voorts verklaard dat dit ook gold voor de toeslagjaren 2011 en 2012. Voor het toeslagjaar 2012 heeft belanghebbende dit bovendien bevestigd op het geretourneerde antwoordformulier.
Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is het niet aannemelijk geworden dat belanghebbende in de periode april tot en met december 2010 en de toeslagjaren 2011 en 2012 geregistreerde opvang heeft genoten. De Commissie is derhalve van opvatting dat UHT zich terecht op het standpunt stelt dat sprake is van een situatie waarin belanghebbende evident geen recht had op KOT. De Commissie adviseert UHT derhalve het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Beoordeling O/GS-tegemoetkoming toeslagjaren 2009 tot en met 2013
Belanghebbende voert aan dat zij bij gebrek aan wetenschap niet kan beoordelen of de O/GS-tegemoetkoming juist is vastgesteld.
De Commissie stelt vast dat voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 sprake was van een onterechte kwalificatie O/GS. UHT heeft naar aanleiding hiervan een tegemoetkoming toegekend op grond van artikel 2.6 van de Wht voor de toeslagjaren 2009 en 2011 tot en met 2013, alsmede voor de periode april tot en met december 2010. Voor de periode januari tot en met maart 2010 is geen O/GS-tegemoetkoming toegekend, aangezien over die periode reeds compensatie is verleend wegens vooringenomenheid.
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder het kopje "Opzet/grove schuld", de berekening van de O/GS-tegemoetkoming voldoende toegelicht. De Commissie ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze berekening te twijfelen.
Zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel
Aangezien de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHO niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.
Niet beoordeelde toeslagjaren
Belanghebbende stelt dat ten onrechte de toeslagjaren 2005 tot en met 2007 en 2014 tot en met 2019 niet in de herbeoordeling zijn meegenomen.
UHT heeft meegedeeld dat herbeoordeling van die jaren alsnog zal plaatsvinden en dat het verzoek daartoe reeds is doorgezet naar de desbetreffende afdeling.
De Commissie adviseert UHT om, zodra de herbeoordeling heeft plaatsgevonden, voorafgaande aan de te nemen beslissing op bezwaar belanghebbende en haar gemachtigde door middel van een schriftelijke vooraankondiging op de hoogte te stellen van de bevindingen bij de heroverweging en belanghebbende en haar gemachtigde in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.
Extra uitbetaling?
Hoewel de Commissie adviseert om het bedrag van de compensatie aan te passen, zal dit slechts leiden tot een extra uitbetaling aan belanghebbende, indien en voor zover het totaal door belanghebbende te ontvangen bedrag het eerder uitgekeerde bedrag van € 30.000 overschrijdt.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHO, overweegt de Commissie met betrekking tot een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand het volgende.
Ingevolge artikel 7:15 van de Awb worden proceskosten alleen vergoed als de bestreden beschikking wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRVB 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25), is sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15, lid 2, van de Awb als het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het met dat besluit beoogde rechtsgevolg.
De aanpassing van de compensatieberekening heeft wellicht niet tot gevolg dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan compensatie dan de al eerder uitgekeerde € 30.000, maar de aanpassing van de compensatieberekening heeft wel tot gevolg dat het vertrekpunt voor een eventuele procedure over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade verandert. De Commissie is daarom, in lijn met de genoemde rechtspraak en gelet op het systeem van de Wht, van mening dat er sprake is van een wijziging die rechtsgevolg heeft.
Daarom adviseert de Commissie aan UHT om, ook als het uiteindelijke bedrag aan compensatie niet hoger is dan het eerder uitgekeerde bedrag van € 30.000, een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie aan UHT, de hiervoor geformuleerde vragen gedeeltelijk ontkennend beantwoordend, om het bezwaar gericht tegen de beschikking van 12 december 2023 met kenmerk UHT-DCHO gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en de bestreden beschikking in zo verre te herroepen;
- op grond van hardheid alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2008 en de daarop betrekking hebbende beschikking in zoverre te herroepen;
- Op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2009 en de daarop betrekking hebbende beschikking in zoverre eveneens te herroepen;
- om het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter