BAC 2025-16101
Publicatiedatum 06-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 29 mei 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 8 mei 2026 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 4 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit van 29 mei 2024 met kenmerk UHT-DCHOA in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit beoordeling kinderopvangtoeslag van 29 mei 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna onder meer: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 27 februari 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2008 tot en met 2019. Omdat belanghebbende slechts in de toeslagjaren 2018 en 2019 aanvrager was van KOT zijn die jaren beoordeeld.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2017 en 2018 (lees: 2018 en 2019).
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 september 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 20 augustus 2025 schriftelijk gereageerd.
- Op 8 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Inzage onderliggende dossier
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier. Daarnaast heeft belanghebbende aangevoerd dat door B/T recent een digitale datakluis met gegevens is aangetroffen, waarin zich mogelijk ook gegevens van belanghebbende bevinden.
De Commissie volgt wat is aangevoerd door belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 5 maart 2026 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het ouderdossier onvolledig is. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling toeslagjaren 2018 en 2019
De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van het bestreden besluit, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2018 en 2019, af te wijzen.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2018 en 2019
Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, voor zover hier van belang, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van vooringenomenheid van B/T dan wel van hardheid van het stelsel.
De Commissie stelt op grond van het dossier vast dat in het toeslagjaar 2018 sprake is geweest van één neerwaartse bijstelling van de KOT. Deze neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een melding van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), waaruit bleek dat het kind met BSN [nr.] met ingang van 1 september 2018 naar het voortgezet onderwijs ging, waardoor het recht op KOT kwam te vervallen. De Commissie ziet geen aanwijzingen dat B/T aanleiding had om aan de juistheid van deze melding te twijfelen.
Aansluitend is de KOT bij voorschotbeschikking van 27 december 2018 automatisch gecontinueerd naar het toeslagjaar 2019. De volgende beschikking betrof de definitieve beschikking van 6 november 2020. Nu deze definitieve beschikking uitsluitend betrekking heeft op een periode gelegen na 23 oktober 2019, en niet aannemelijk is geworden dat deze beschikking het gevolg is van besluiten of handelingen die vóór die datum zijn genomen, is de Commissie van opvatting dat een inhoudelijke beoordeling van het toeslagjaar 2019 in zoverre buiten de reikwijdte van de Wht valt.
Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de behandeling van de KOT voor de toeslagjaren 2018 en 2019 sprake is geweest van vooringenomen handelen van B/T. Voor zover over deze toeslagjaren terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zijn deze het gevolg geweest van de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend.
Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op compensatie op grond van hardheid van het stelsel. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te adviseren. Er zijn ook geen aanwijzingen gevonden voor een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld over dit jaar. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende verzoekt, kort samengevat, om een vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade.
De Commissie overweegt dat voor vergoeding voor de immateriële schade in aanmerking komt de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T, de ouder die ten onrechte een kwalificatie opzet/grove schuld heeft gekregen en daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd of de ouder waaraan ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en die ingevolge artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt. Aangezien de Commissie, zoals hierboven reeds is uiteengezet, van opvatting is dat belanghebbende geen aanspraak heeft op compensatie of een tegemoetkoming op grond van de Wht, volgt daaruit dat belanghebbende evenmin in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade op grond van de Wht. De Commissie heeft goede nota genomen van de toezegging van UHT om in de beslissing op bezwaar uiteen te zetten of voor belanghebbende eventueel nog andere mogelijkheden openstaan.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar volgens de Commissie ongegrond is komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie aan UHT, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, om:
- het bezwaar tegen het bestreden besluit van 29 mei 2024 met kenmerk UHTDCHOA ongegrond te verklaren en het besluit in stand te laten;
- en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter