Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16094

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 30 november 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 8 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 16 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en het bestreden besluit over toeslagjaren 2010 en 2014 in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om het verzoek tot toekenning van een vergoeding voor de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 30 november 2023, met kenmerk UHT-DCHA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen vergoeding toegekend voor de jaren 2010 en 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2014. Gemachtigde heeft tijdens het oudergesprek van 13 september 2023 aangegeven dat belanghebbende ook de jaren 2008 tot en met 2019 in de herbeoordeling wenst te betrekken.
  • UHT heeft bij besluit van 16 december 2021, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, als bedoeld in de Catshuisregeling.
  • UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking van 30 november 2023, met kenmerk UHT-DCHA, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een vergoeding voor de jaren 2010 en 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 januari 2024, ingekomen op 10 januari 2024, tegen het besluit van UHT van 30 november 2023, met kenmerk UHT-DCHA, een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 3 oktober 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 7 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 8 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Tijdens de hoorzitting is afgesproken, dat UHT binnen 2 weken een toelichting geeft bij de wijzigingen KOT in 2024 en de stopzetting van KOT voor het kind met BSN eindigend op 231. UHT is deze afspraak niet nagekomen, ook niet na rappel. Om verdere vertraging te voorkomen heeft de Commissie bepaald, dat niet langer kan worden gewacht op UHT en dat het advies wordt uitgebracht.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Vooringenomenheid, hardheid en O/GS
Belanghebbende acht vooringenomenheid aanwezig over de toeslagjaren 2010 en 2014 en stelt ten onrechte niet te zijn gecompenseerd over deze toeslagjaren. 

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het de toeslagjaren 2010 en 2014 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.

Toeslagjaar 2010
De met de beslissing van 20 oktober 2010, beschikkingsnummer 261.09.070.T.10.0.1001, door B/T doorgevoerde neerwaartse correctie van
€ 8.562 naar € 4.308 is het gevolg van stopzetting van de KOT per 10 augustus 2010 door belanghebbende. De met de beslissing van 23 juli 2013, beschikkingsnummer 2261.09.070.T.10.6.1201 door B/T doorgevoerde neerwaartse verlaging van € 4.308 naar € 2.572 is het gevolg van de door belanghebbende op 18 oktober 2011 aan B/T verstrekte jaaropgave. Dit is terug te vinden in het RKT-bestand 2010 (productie 1210016).

Toeslagjaar 2014
Met de beslissing van 27 december 2013 is de KOT automatisch gecontinueerd en vastgesteld op € 14.491. Op 21 maart 2014 is de KOT verlaagd naar € 6.803 omdat belanghebbende per 1 mei 2014 voor kind 2 de KOT heeft stopgezet. Op 22 april 2014 is de KOT verhoogd naar € 8.428 als gevolg van een wijziging in de opvanguren door belanghebbende. Op 22 juli 2014 is de KOT verhoogd naar €12.636 naar aanleiding van een wijziging in de opvanggegevens. De opvanguren voor kind 3 zijn toegevoegd.

Op 30 december 2014 is de KOT verhoogd naar € 12.694 vanwege een verhoging van de opvanguren doorgegeven door belanghebbende. Op 7 januari 2016 is de KOT definitief vastgesteld op € 9.840 vanwege de van belanghebbende ontvangen jaaropgave.

De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2010 en 2014 waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd.

Dat er volgens belanghebbende recht is op aanvullende compensatie omdat er sprake zou zijn geweest van etnisch profileren door B/T blijkt naar het oordeel van de Commissie niet uit de in het bezwaardossier aanwezige stukken. Er zijn in het bezwaar dossier geen aanwijzingen gevonden waaruit blijkt dat belanghebbende door B/T gediscrimineerd is. Het instellen van een controle of het tussentijds opvragen van gegevens leidt niet bij uitstek tot discriminatie of etnisch profileren. De door B/T doorgevoerde bijstellingen zijn op grond van wijzingen doorgegeven door belanghebbende en wijzigingen in het inkomen van belanghebbende. 

Reguliere bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.

Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Niet beoordeelde toeslagjaren
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom de toeslagjaren 2008, 2009, 2011, 2012, 2013, 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019 niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over deze toeslagjaren sprake was van KOT en omdat deze jaren tijdens het oudergesprek aan de orde zijn geweest.

Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt.

De Commissie is het eens met belanghebbende dat uit het dossier niet blijkt dat belanghebbende de aanvraag om herbeoordeling heeft beperkt tot de jaren 2010 en 2014. Integendeel, in het verslag van het oudergesprek (pagina 18 ouderdossier) is vastgelegd, dat ook de overige jaren bij de herbeoordeling worden betrokken. Uit de schriftelijke reactie van UHT blijkt dat UHT het met belanghebbende eens is dat UHT ten onrechte de toeslagjaren 2008, 2009, 2011, 2012, 2013, 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019 niet in de herbeoordeling heeft betrokken. 

Belanghebbende en UHT zijn het erover eens dat de aanvraag om herbeoordeling ook zag op deze jaren en dat UHT  deze jaren daarom in de herbeoordeling had moeten betrekken.

Gelet op het verbod van getrapte besluitvorming in bezwaar en het feit, dat UHT tijdens de hoorzitting heeft verklaard, dat de beschouwing over deze jaren is uitgewerkt en dus nagenoeg klaar is adviseert de Commissie UHT om in een beschouwing alsnog op deze jaren in te gaan, de gemachtigde van belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarop te reageren en in het te nemen besluit op bezwaar ook deze jaren mee te nemen.  Als deze herbeoordeling ertoe leidt dat belanghebbende voor de andere jaren als gedupeerde wordt aangemerkt, gaat de Commissie ervan uit dat UHT hierin aanleiding ziet het bestreden besluit te herroepen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar met betrekking tot 2010 en 2014 naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit over die jaren in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter