Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16087

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 juli 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 17 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 24 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 14 juni 2023 met kenmerk UHT-DCHA (hierna: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2017 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2017 en 2018. In overleg met belanghebbende is het toeslagjaar 2019 toegevoegd aan de herbeoordeling.
  • UHT heeft bij besluit van 24 februari 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2017 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 24 juli 2024, ingekomen op 25 juli 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 april 2025 aanvullende bezwaargronden ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 mei 2025 het bezwaarschrift verder aangevuld.
  • UHT heeft op 20 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 17 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 17 maart 2026 aanvullende stukken ingediend. Gemachtigde heeft daar op 20 maart 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Volledigheid ouderdossier
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het ouderdossier onvolledig is, omdat de stopzetting per 2 april 2018 daarin ontbreekt. Daarnaast is tijdens de hoorzitting, gehouden op dinsdag 17 maart 2026, aangevoerd dat de aanvraag KOT voor 2017 ontbreekt en dat de aanvraag KOT voor 2018 onvolledig is.
Volgens belanghebbende wekt het ontbreken van deze stukken het vermoeden dat het ouderdossier ook op andere onderdelen onvolledig is. De Commissie constateert dat UHT de voornoemde stukken aan belanghebbende heeft toegezonden.

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt deze stelling van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

De hersteloperatie is bedoeld om belanghebbenden financieel te compenseren voor het leed dat hun is aangedaan en om te proberen het vertrouwen in de overheid te herstellen. In de ogen van de Commissie worden deze belangen het beste gediend als een belanghebbende zo snel mogelijk inzicht krijgt in de informatie over zijn of haar situatie, in de vorm van een ouderdossier.
Daarom staat de Commissie positief tegenover het ouderdossier en de spoedige verstrekking daarvan aan belanghebbende. Dat betekent echter niet dat daarom nu geconcludeerd moet worden dat het verstrekte bezwaardossier onvolledig is. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het ouderdossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet
Belanghebbende voert aan dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T), bij het verrekenen van de terugvordering KOT met het kindgebonden budget, geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet.

Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De wet vermeldt de situatie van verrekening niet expliciet. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is ook met zoveel woorden te lezen in de memorie van toelichting.
Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Uit de wetsgeschiedenis (de nota naar aanleiding van het eindverslag) blijkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).

Hieruit volgt dat de Commissie niet toekomt aan de bezwaargrond dat B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Reguliere bijstellingen
De Commissie constateert dat er met betrekking tot het toeslagjaar 2017 geen neerwaartse bijstelling van de KOT heeft plaatsgevonden. Voor de toeslagjaren 2018 en 2019 is dat wel het geval.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2018 en 2019 waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is naar aanleiding van reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter