Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16086

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 31 mei 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 6 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 14 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bestreden besluit niet te herroepen en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 60.382 voor de toeslagjaren 2008, 2009 en 2010. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft over die toeslagjaren bij de beoordeling van de KOT fouten gemaakt. Compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2012 is afgewezen.

Procesverloop

  • Op 9 april 2021 heeft belanghebbende verzocht om herbeoordeling van de toeslagjaren 2008 en 2009. In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling uitgebreid met de toeslagjaren 2010 tot en met 2012.
  • Op 24 december 2021 is aan belanghebbende op grond van de Catshuisregeling een bedrag van € 30.000 uitgekeerd.
  • Op 21 mei 2024 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) als advies uitgebracht dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2011 en 2012.
  • Op 16 april 2024 heeft UHT als vooraankondiging aan belanghebbende een compensatiebedrag van € 60.153 toegekend.
  • Op 31 mei 2024 heeft UHT het definitieve compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2008, 2009 en 2010 vastgesteld op € 60.382. Compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2012 is afgewezen.
  • Op 12 juli 2024 heeft gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 6 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2012 terecht is afgewezen.

Compensatieberekening

Gemachtigde voert aan dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Het is niet inzichtelijk hoe het compensatiebedrag is vastgesteld.

UHT heeft in de schriftelijke beschouwing uitgebreid beschreven dat bij het berekenen van de rente gemiste KOT (component o) en de immateriële schadevergoeding (component n) is uitgegaan van onjuiste data. De onjuist berekende bedragen vallen echter allen uit in het voordeel van belanghebbende en zal UHT daarom niet aanpassen.

De Commissie overweegt dat de overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reactie, de toelichting tijdens de hoorzitting, de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC-overzichten) en de overige producties, het bestreden besluit en de compensatieberekening voldoende zijn onderbouwd en zorgvuldig tot stand zijn gekomen.

Afgewezen toeslagjaren 2011 en 2012

Gemachtigde stelt dat belanghebbende ook voor de toeslagjaren 2011 en 2012 gecompenseerd dient te worden. Dat belanghebbende de KOT heeft stopgezet komt door de onterechte terugvorderingen van door B/T over de voorgelegen jaren.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelswijze van B/T.

In het bestreden besluit, de schriftelijke beschouwing en het informatie- en beoordelingsformulier is voor de toeslagjaren 2011 en 2012 uitgebreid beschreven welke neerwaartse wijzigingen in KOT hebben plaatsgevonden. In toeslagjaar 2011 heeft belanghebbende zelf op 18 augustus 2011 de KOT per 1 mei 2011 stopgezet. Voor toeslagjaar 2012 heeft belanghebbende per 16 mei 2012 weer KOT aangevraagd en op 13 juli 2012 doorgegeven dat de KOT per 15 september 2012 kan worden gestopt. De bijstellingen in KOT betreffen alle reguliere correcties die zijn gebaseerd op door belanghebbende doorgegeven wijzigingen en de hoogte van het toetsingsinkomen. Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het advies van de CvW en het standpunt van UHT met betrekking tot de afgewezen toeslagjaren onjuist te achten.

Ten overvloede merkt de Commissie op dat de bezwaarschriftprocedure over integrale beoordelingsbesluiten alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden vermeld op schadeherstel.toeslagen.nl.

Stukken (interne) communicatie

Gemachtigde stelt dat het dossier niet compleet is en wenst alle (interne) communicatie te ontvangen. Deze stukken zijn met name van belang voor de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade. Daarnaast stelt belanghebbende dat een medewerker van UHT hem telefonisch heeft verteld dat hij wel voorkwam op de Fraude Signalering Voorziening lijst (hierna: FSV-lijst).

De Commissie volgt het standpunt van belanghebbende niet dat het dossier onvoldoende compleet is om tot advisering en besluitvorming over te gaan. De schriftelijke beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie tekent hierbij nog aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde ‘ouder dossier’, niet per definitie samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld. Met betrekking tot de opname op de FSV-lijst merkt de Commissie op dat uit het informatie-en beoordelingsformulier (pagina 7 van het formulier, pagina 23 van de onderliggende stukken) blijkt dat belanghebbende niet op deze lijst heeft gestaan. De Commissie heeft geen aanwijzingen om hieraan te twijfelen.

Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen compensatiebesluit. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb en adviseert de Commissie om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie adviseert het primaire besluit niet te herroepen, is er geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bestreden besluit niet te herroepen en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter