Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16070

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 4 januari 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 28 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 27 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor de jaren 2005 en 2012 voor een bedrag van € 22.694,-, op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000,-, en geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2011 en 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 11 april 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008, 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013. Na overleg met belanghebbende zijn ook de jaren 2005, 2006 en 2007 opnieuw beoordeeld.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 december 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat in de toeslagjaren 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011 en 2013 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 13.696,-.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 22.694,- voor de jaren 2005 en 2012 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2011 en 2013.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 12 januari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 26 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift
  • Op 28 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft op 16 februari 2026 een aanvullende beschouwing uitgebracht en gemachtigde heeft daarop op 2 maart 2026 gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2005 en 2012 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2006 tot en met 2011 en 2013 af te wijzen.

Toeslagjaren 2005 en 2012

Compensatieberekening – toeslagrente over gemiste KOT

De Commissie overweegt dat de bedragen die in de compensatieberekening onder component o (toeslagrente over gemiste KOT) zijn opgenomen voor de toeslagjaren 2005 en 2012, onjuist zijn berekend. UHT erkent dit in de beschouwing en licht toe dat de betreffende bedragen lager hadden moeten uitvallen. Omdat dit in het nadeel van belanghebbende is, laat UHT de hogere bedragen in stand.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.

Compensatieberekening - vergoeding voor juridische hulp

In de aanvullende beschouwing van 16 februari 2026 concludeert UHT dat aan belanghebbende alsnog een vergoeding voor juridische hulp van € 3.736,- wordt toegekend voor de juridische bijstand die zij heeft ontvangen in de beroepsprocedure met betrekking tot toeslagjaar 2012.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en adviseert UHT ook de hiermee samenhangende bedragen in de compensatieberekening aan te passen.

Toeslagjaar 2012 – groepsgewijs vooringenomen handelen?

Op de hoorzitting is namens belanghebbende betoogd dat sprake is geweest van groepsgewijs vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Zij maakte gebruik van kinderopvanginstelling [naam] en dit is als CAF-vergelijkbaar onderzoek aangemerkt [naam].

In de aanvullende beschouwing van 16 februari 2026 heeft UHT toegelicht dat [naam] is aangewezen als een CAF-vergelijkbaar onderzoek waarmee vaststaat dat belanghebbende inderdaad was betrokken bij een CAF11-vergelijkbaar onderzoek.

Volgens UHT is echter niet voldaan aan de voorwaarde dat de KOT is stopgezet of verlaagd als direct gevolg van dat onderzoek. Daarom is geen sprake van recht op compensatie op grond van groepsgewijze vooringenomenheid.

De Commissie is met belanghebbende eens dat aan haar eerder duidelijkheid gegeven had kunnen en moeten worden; tot aan de aanvullende beschouwing van 16 februari 2026 is niet vermeld dat belanghebbende betrokken was bij een CAF11-vergelijkbaar onderzoek. De Commissie begrijpt dat duidelijkheid hierover voor belanghebbende, en haar herstel, belangrijk is.

Over het jaar 2012 is belanghebbende al wel gecompenseerd op basis van individueel vooringenomen handelen. De KOT over 2012 is tweemaal verlaagd; van € 18.985,- naar € 7.911,- ten gevolge van de stopzetting van KOT door belanghebbende per 1 juni 2012 en van € 7.911,- naar € 0,- op grond van non-response. Deze tweede verlaging is als (individueel) vooringenomen aangemerkt en er is gecompenseerd op basis van het bedrag van € 7.911,-. De Commissie ziet in het dossier noch in het op dit punt aangevoerde een aanwijzing dat de verlaging naar € 7.911,- een direct gevolg is van het CAF11-vergelijkbaar onderzoek. Voor het compensatiebedrag maakt het gelet daarop niet uit of sprake was van groepsgewijs of individueel vooringenomen handelen. Dat dit voor belanghebbende emotioneel wel van belang is, is evident.

Toeslagjaren 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011 en 2013

De Commissie ziet voor de toeslagjaren 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011 en 2013 geen aanknopingspunten dat er recht bestaat op compensatie wegens vooringenomen handelen, op compensatie op grond van de hardheidsregeling of op een tegemoetkoming op grond van opzet/grove schuld (hierna: O/GS-tegemoetkoming). De Commissie adviseert UHT het bezwaar op deze onderdelen ongegrond te verklaren en licht dat hierna per toeslagjaar als volgt toe.

Toeslagjaar 2006

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de lange duur tussen het verzoek om wijziging van de KOT van 10 augustus 2006 en het besluit van 2 februari 2007 vooringenomen is. In het wijzigingsverzoek werd verzocht de KOT te verhogen. Omdat deze wijziging pas enkele maanden later is doorgevoerd betoogt belanghebbende dat zij schade heeft geleden, omdat zij te weinig KOT ontving, en zij in aanmerking dient te komen voor compensatie.

De Commissie overweegt als volgt. De lange duur van het verwerken van de aanvraag van KOT is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat sprake is van vooringenomenheid. In combinatie met andere omstandigheden kan de lange duur tot vaststelling van een definitieve beschikking wel tot de conclusie vooringenomenheid leiden. Van andere omstandigheden is niet gebleken. Het enkele feit dat de verwerking van een wijziging lang heeft geduurd is onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van vooringenomenheid. Daarnaast ontbreekt een grondslag voor compensatie als bedoeld in artikel 2.2 sub a Wht. De compensatie bestaat namelijk uit een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van een voorschotverlening. Hiervan is geen sprake nu de KOT over 2006 is verhoogd. De Commissie is daarom van oordeel dat belanghebbende voor toeslagjaar 2006 niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid.

Ook voor toepassing van de hardheidsregeling is geen plaats, nu evenmin sprake is van een verlaging of terugvordering die tot die regeling kan leiden.

Toeslagjaar 2007

In toeslagjaar 2007 is de KOT verlaagd van € 22.572,- naar € 3.701,- (productie 0900001, pagina 9). UHT stelt zich op het standpunt dat deze verlaging verband hield met een onjuiste verwerking van kinderopvanggegevens (jaaropgave kinderopvanginstelling) en daarmee met een fout, en dus niet met vooringenomen handelen. UHT acht het bovendien van belang dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt en dat de fout vervolgens in bezwaar is hersteld, waarna de KOT weer is bijgesteld (productie 1207007).

Namens belanghebbende is betoogd dat B/T over dit jaar vooringenomen heeft gehandeld. De informatie op basis waarvan beschikt had moeten worden, was al voorhanden. De verlaging van de KOT is in bezwaar hersteld op basis van dezelfde bewijsstukken (jaaropgaven) die al waren overgelegd. Dit is volgens het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van UHT (hierna: Handboek) vooringenomen. Hierin (versie 3.15 pagina 14) staat vermeld:

“Daarnaast dient ook nagegaan te worden of tijdens de behandeling in de bezwaarfase aanwijzingen zijn dat er vooringenomen gehandeld is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de situatie waarin in bezwaar is hersteld op basis van dezelfde bewijsstukken, wat een aanwijzing kan zijn dat in de primaire fase te streng naar de bewijsstukken is gekeken.”

In de aanvullende beschouwing van 16 februari 2026 stelt UHT, onder verwijzing naar pagina’s 14 en 48 van het Handboek, dat het feit dat bepaalde stukken al voorhanden waren niet noodzakelijkerwijs leidt tot de vaststelling van vooringenomenheid. Het gaat om de samenhang tussen meerdere elementen die tot de aannemelijkheid van vooringenomenheid kunnen leiden.

B/T heeft volgens UHT niet vooringenomen gehandeld door het recht op KOT in bezwaar te herstellen op basis van dezelfde jaaropgave, er is sprake geweest van een kennelijke vergissing.

De Commissie ziet in het dossier geen aanwijzingen dat B/T te streng en daarmee vooringenomen heeft gekeken naar de initieel verstrekte jaaropgaven (pagina 303 en 305). B/T is niet gemotiveerd afgeweken van de jaaropgaven maar heeft deze op onjuiste wijze verwerkt en dit in bezwaar hersteld. De Commissie acht een kennelijke fout door de onjuiste verwerking van de jaaropgaven daarom aannemelijk.

De Commissie ziet in het dossier evenmin aanknopingspunten om vooringenomen handelen in de zin van brede uitvraag aan te nemen.

Voor de hardheidsregeling geldt dat weliswaar sprake is van een verlaging van €1.500,-of meer, maar uit de stukken blijkt dat de KOT is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling voor € 22.744,- (productie 2700003) en dat de daadwerkelijke opvangkosten € 25.228,80 bedroegen (productie 1207005). Daarmee zijn de opvangkosten hoger dan de uitbetaalde KOT en is de uitbetaalde KOT volledig benut voor opvangkosten.

Toeslagjaar 2008

In toeslagjaar 2008 is de KOT tweemaal verlaagd: van € 22.576,- naar € 19.281,- en vervolgens naar € 8.285,-. Uit het dossier volgt dat deze verlagingen zijn terug te voeren op reguliere wijzigingen in de aanvraag, te weten de door belanghebbende zelf doorgegeven stopzetting per 1 juni 2008 (productie 1208001) en nadien verwerking van jaaropgave van de kinderopvanginstelling (productie 1209002). Daarmee is geen sprake van vooringenomen handelen. Voor de hardheidsregeling geldt dat weliswaar aan de drempel van een verlaging van €1.500,- of meer wordt voldaan, maar dat de KOT is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling voor € 22.296,- (productie 2700004), terwijl de daadwerkelijke opvangkosten € 23.361,70 bedroegen (productie 1208005). Ook hier zijn de opvangkosten hoger dan de uitbetaalde KOT en is de uitbetaalde KOT volledig aangewend voor opvangkosten.

Toeslagjaar 2009

In toeslagjaar 2009 is de KOT eenmaal verlaagd van € 15.343,- naar € 10.703,-. Deze verlaging volgde, volgens het dossier, op door belanghebbende zelf aangeleverde informatie (jaaropgave) en betreft daarmee een reguliere wijziging (productie 1209004). Van vooringenomen handelen blijkt niet.

Voor de hardheidsregeling geldt dat de KOT is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling voor € 17.037,- (productie 2700005) en dat de daadwerkelijke opvangkosten € 19.260,-bedroegen (productie 1209004). De opvangkosten zijn daarmee hoger dan de uitbetaalde KOT en de uitbetaalde KOT is volledig gebruikt voor opvangkosten.

Toeslagjaar 2010

Belanghebbende stelt dat over 2010 een brede uitvraag heeft plaatsgevonden. B/T heeft gevraagd om een jaaropgave maar deze was er al.

In de aanvullende beschouwing van 16 februari 2026 erkent UHT dat bij uitvraagbrief van 13 juni 2013 (productie 1210005) is verzocht om de jaaropgave 2010 die al door belanghebbende was toegezonden bij het antwoordformulier op 1 augustus 2011 (productie 12090004). UHT vindt dit wel onzorgvuldig, maar niet vooringenomen.

B/T heeft de opnieuw toegezonden stukken namelijk wel betrokken en op grond hiervan de KOT verhoogd. Dit wijst op een herbeoordeling en correctie en niet op een zero-tolerance benadering of het structureel negeren van informatie.

Namens belanghebbende is erop gewezen dat het wel erg opvallend is dat er continue (los van elkaar) vergissingen in haar dossier worden gemaakt terwijl het een CAF-11 gerelateerd dossier betreft.

De Commissie overweegt als volgt.

Over 2010 is de KOT eenmaal verlaagd van € 14.766,- naar € 13.854,-. Uit het dossier volgt dat deze verlaging het gevolg is van een wijziging die belanghebbende zelf heeft doorgegeven en dus een reguliere wijziging betreft (productie 1210002). Van vooringenomen handelen is daarom niet gebleken.

Voor het overige is geen sprake van verlagingen van de KOT; de KOT is hierna verhoogd. Van een brede uitvraag en dientengevolge geleden schade is naar de Commissie meent reeds daarom geen sprake. Dit neemt niet weg dat ook de Commissie meent dat het onzorgvuldig is geweest van B/T dat de op 1 augustus 2011 toegezonden jaaropgave niet meteen is betrokken maar dat nogmaals hierom is verzocht.

Voor de hardheidsregeling geldt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van een terugvordering of verlaging van € 1.500,- of meer, zodat die regeling reeds daarom niet van toepassing is.

Toeslagjaar 2011

De Commissie stelt vast dat de KOT in 2011 eenmaal is verlaagd van € 19.489,- naar € 19.313,-. Deze verlaging houdt verband met een gewijzigd toetsingsinkomen en is daarmee een reguliere wijziging (productie 1211006). Vooringenomen handelen blijkt niet. Ook voor de hardheidsregeling geldt dat niet is voldaan aan de vereiste drempel van € 1.500,- of meer.

Toeslagjaar 2013

Ten aanzien van 2013 volgt uit het dossier dat belanghebbende in dit toeslagjaar geen KOT heeft aangevraagd of ontvangen (productie 0900001, pagina 6). Daarmee ontbreekt een grondslag voor compensatie wegens vooringenomen handelen en eveneens voor toepassing van de hardheidsregeling.

FSV

Op de hoorzitting is namens belanghebbende verzocht om de printscreen FSV. In de aanvullende beschouwing van 16 februari 2026 wijst UHT op productie 1400001 (pagina 619), waar de FSV printscreen is terug te vinden.

Namens belanghebbende is gesteld dat productie 1400001 niet de inhoud van FSV betreft.

De Commissie stelt vast dat zij in meerdere dossiers een formulier heeft aangetroffen als opgenomen in productie 1400001 ‘FSV Vaststellingsformulier’. Voor zover ook de door gemachtigde bedoelde FSV printscreen beschikbaar is, adviseert de Commissie UHT om deze alsnog toe te sturen.

O/GS

Namens belanghebbende is verzocht om een O/GS-tegemoetkoming en in verband daarmee om de onderliggende stukken O/GS.

UHT stelt in de aanvullende beschouwing van 16 februari 2026 dat het Landelijk Incasso Centrum (LIC) de instantie is die vaststelt of sprake is van opzet of grove schuld en dat het LIC in het geval van belanghebbende heeft geconcludeerd dat daarvan geen sprake is. UHT beschikt niet over aanvullende documenten. Een onderzoek in de systemen van UHT heeft geen andere relevante documenten opgeleverd (productie 2700014).

Namens belanghebbende is aangevoerd dat de informatie van UHT onjuist is en dat door de staatssecretaris is toegelicht dat in bezwaar een heroverweging van O/GS dient plaats te vinden en dat de stukken opnieuw dienen te worden bekeken. Dat heeft hier niet plaatsgevonden. Er is enkel een INL printscreen overgelegd maar niet de tabbladen van stamderden. Ook ontbreekt de inhoud van het systeem TRS.

De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.6 lid 1 Wht de Dienst Toeslagen aan een aanvrager van KOT op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toekent indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de KOT heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de KOT.

De Commissie stelt vast dat zich in het dossier een stuk bevindt met als conclusie dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van O/GS (productie 1300001).

Ten aanzien van de jaren waarvoor geen compensatie of tegemoetkoming is toegekend is enkel voor de jaren 2007 en 2011 sprake geweest van een terugvordering (pagina 158). De terugvordering voor 2007 bedroeg € 1.574,-, deze is verrekend met KOT 2009. De terugvordering voor 2011 bedroeg € 176,- en is door belanghebbende betaald.

Gelet op het feit dat de ene terugvordering is verrekend en de andere terugvordering een bedrag van € 176,- betreft, binnen een maand betaald, acht de Commissie op voorhand niet aannemelijk dat belanghebbende een aanvraag om een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling heeft ingediend in verband met de terugvordering van KOT. In dat licht bezien, bestaan op voorhand geen aanknopingspunten dat UHT ten onrechte een O/GS-tegemoetkoming aan belanghebbende heeft geweigerd.

Met betrekking tot het verzoek van belanghebbende om de onderliggende stukken O/GS overweegt de Commissie als volgt. Gelet op de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) dient UHT standaard en actief inzage geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545.

Deze onderliggende stukken ontbreken in dit geval.

De Commissie adviseert UHT om, voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Integraal subjectief toezicht (hierna: IST)

Namens belanghebbende is op de hoorzitting gewezen op de vermelding ‘Bekend bij IST – Nee’ (pagina 147) en is verzocht om uitleg over de totstandkoming van deze beoordeling.

In de aanvullende beschouwing van 16 februari 2026 heeft UHT toegelicht dat de afkorting IST geen standaardafkorting is binnen B/T of UHT. In dit geval betreft het een registratie die verband houdt met financiële problematiek, niet met de beoordeling van de KOT.

Namens belanghebbende is gewezen op een tweetal stukken: Werkwijze in CAF-dossiers ten tijde van CAF11 en het Behandelkader Lopende zaken met hoog risico (IST-team) van 25 juni 2015. Er was een IST team voor toeslagen en daar werd handhavingsregie uitgevoerd. Dat IST geen standaardafkorting is (geweest) binnen B/T is in strijd met de waarheid.

De Commissie geeft UHT in overweging hierover in het besluit op bezwaar nadere duidelijkheid te verschaffen. Op basis van het beoordelingskader van de Commissie ziet de Commissie geen aanknopingspunten om te adviseren dat op grond hiervan alsnog compensatie of een tegemoetkoming voor de nog niet gecompenseerde jaren moet worden toegekend.

Wettelijke rente

Op de hoorzitting is namens belanghebbende verzocht om een vergoeding van de wettelijke rente over de periode dat niet tijdig is beslist op het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming.

De Commissie wijst op artikel 4:100 van de Awb, waarin staat: Indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom niet tijdig geeft, is het wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.

De Commissie adviseert UHT gelet hierop te beoordelen of belanghebbende recht heeft op wettelijke rente en dit afhankelijk van de uitkomst aan haar te vergoeden, ook conform het beleid van UHT. Wettelijke rente | Herstel Toeslagen

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • aan belanghebbende alsnog een vergoeding voor juridische hulp toe te kennen en de compensatieberekening hierop aan te passen;
  • te beoordelen of belanghebbende recht heeft op wettelijke rente en dit te vergoeden;
  • voor zover beschikbaar de printscreen FSV aan gemachtigde toe te sturen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter