Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16064

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 30 oktober 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 6 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 7 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door toenmalig gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag van 30 oktober 2023 (UHT- DCHA).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 tot en met 2017.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 29 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden besluit van 30 oktober 2023 (UHT-DCHA) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 13 november 2023, ingekomen op 14 november 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 22 november 2024 aanvullende bezwaargronden ingediend.
  • UHT heeft op 1 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 6 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Belanghebbende is daarbij bijgestaan door gemachtigde. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, kan dit gebrek naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. Op dit punt treft het bezwaar geen doel.

Geen compensatie

Belanghebbende stelt dat zij wel recht heeft op compensatie.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2008 tot en met 2017 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel als bedoeld in de Wht. De (hoogte van de) terugvorderingen KOT zijn door UHT in de schriftelijke reactie nader onderbouwd en deze komen voort uit reguliere wijzigingen.

De bijstellingen zijn daarmee conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven, gelet op artikel 2.1, lid 1, onder b Wht, in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Belanghebbende heeft aangevoerd dat ook al zouden de wijzigingen juist zijn (belanghebbende betwist de juistheid overigens niet), sprake is van institutionele vooringenomenheid. Dit geldt in het bijzonder voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2016. UHT heeft aangegeven dat sprake is van institutionele vooringenomenheid over die jaren, maar heeft vervolgens geconcludeerd dat er geen aanleiding was voor compensatie omdat de correcties juist waren. Belanghebbende heeft verklaard dit niet te begrijpen omdat zij altijd 28 uur per week heeft gewerkt en er geen aanleiding was voor correcties. De Commissie is op basis van het dossier van mening dat de correcties berusten op reguliere wijzigingen en ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding voor compensatie op grond van de Wht.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Opzet/Grove Schuld (OG/S)

Belanghebbende doet een beroep op artikel 2.6 van de Wht omdat er volgens haar sprake is van onbillijkheden van overwegende aard.

Op grond van artikel 2.6 Wht bestaat recht op tegemoetkoming als de belanghebbende geen persoonlijke betalingsregeling toegekend heeft gekregen of de B/T heeft geweigerd mee te werken aan een minnelijke schuldregeling of de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen vanwege de onterechte OG/S-kwalificatie.

De Commissie merkt op dat UHT terecht heeft gesteld dat belanghebbende geen recht heeft op de OG/S-tegemoetkoming. De reden daarvoor is dat er geen sprake was van een OG/S-kwalificatie.

Vergoeding proceskosten

Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belanghebbende geen recht heeft op vergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter