BAC 2025-16051
Publicatiedatum 14-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 19 september 2024 (UHT-DCHO)
Overdracht advies aan UHT: 30 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek om een proceskostenveroordeling af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen besluit definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 11.067 voor het jaar 2010.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 7 april 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met belanghebbende zijn de jaren 2009 tot en met 2011 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 21 februari 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
- De Commissie van Wijzen heeft op 3 september 2026 aan UHT geadviseerd dat gedurende de toeslagjaren 2009 en 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij vooraankondiging 17 april 2024, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 10.955, aangevuld met € 19.045 (tot € 30.000) vanwege de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor het jaar 2010 van € 11.067.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 oktober 2024, ingekomen op 10 oktober 2024, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 30 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 12 februari 2026 heeft de Commissie gemachtigde per e-mail gevraagd of belanghebbende gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord. Tevens heeft de Commissie meegedeeld dat, indien van dit recht werd afgezien, met ingang van die datum een termijn van vijf weken gold voor het indienen van aanvullende gronden.
- Bij e-mail van 24 februari 2026 heeft belanghebbende te kennen gegeven niet ter hoorzitting te zullen verschijnen.
- Gemachtigde heeft per e-mail van 2 april 2026 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 17 april 2026 op de aanvullende bezwaargronden gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en op goede gronden geen compensatie heeft toegekend over de jaren 2009 en 2011.
Afzien van een hoorzitting
De Commissie constateert dat belanghebbende - blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de brief van gemachtigde van 24 februari 2026- over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de BAC. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De BAC volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de BAC, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.
In de kern samengevat heeft belanghebbende de volgende bezwaren tegen het bestreden besluit aangevoerd.
Onvolledig dossier/persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd.
De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet nu niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart zou hebben gebracht. Indien daarvan al sprake zou zijn geweest heeft belanghebbende de gelegenheid gehad dat tijdens de bezwaarprocedure, o.m. tijdens de hoorzitting waarvan zij op eigen verzoek geen gebruik heeft gemaakt, te herstellen.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan.
De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Vaststelling KOT over de toeslagjaren
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen.
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Doorlopende toeslagjaren
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022,
36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren.
Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.
Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat de B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.
FSV-lijst/discriminatie
Belanghebbende stelt dat in haar dossier bij B/T is vermeld dat er een opname in de FSV aan de orde zou zijn, terwijl in het bezwaardossier geen printscreen of dagboekuitdraai is opgenomen. Volgens UHT is er een volledig FSV‑onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat belanghebbende wel in de FSV voorkwam (producties, 1400001 en 1400002). Het document waarop deze conclusie is gebaseerd, is opgenomen in het dossier en door de afdeling verwerkt in het invul‑ en beoordelingsformulier. De registratie heeft volgens UHT geen rol gespeeld bij de beoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag of bij de toepassing van O/GS.
Gemachtigde heeft verzocht om bij de beoordeling van een schadevergoeding rekening te houden met de gevolgen van discriminatie van belanghebbende.
In dit geval heeft belanghebbende weliswaar gesteld dat zij is gediscrimineerd, maar deze stelling is niet onderbouwd met concrete informatie of stukken.
De Commissie merkt op dat van degene die zich op deze grond beroept mag worden verwacht dat dit standpunt deugdelijk wordt onderbouwd. Ook is niet gebleken van eventuele nadelige gevolgen die belanghebbende heeft ondervonden naar aanleiding van de opname op de FSV-lijst. De Commissie ziet in de enkele vaststelling dat belanghebbende is opgenomen op de FSV-lijst geen aanleiding om hiervoor een compensatie toe te kennen.
O/GS
De Commissie overweegt dat in de onderhavige procedure de (wijze van) vaststelling dat er geen sprake was van O/GS aan de orde is geweest. Belanghebbende heeft gesteld dat zij deze constatering nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken. De Commissie acht het onvoldoende dat door UHT uitsluitend wordt verwezen naar productie 1300001 in het dossier, waarin slechts de vaststelling ‘O/GS’ te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld.
De Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling.
De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545.
Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere omstandigheden in een toeslagjaar acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.
De Commissie adviseert UHT daarom dit deel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2009
Belanghebbende betoogt dat zij over toeslagjaar 2009 recht heeft op compensatie vanwege vooringenomen handelen dan wel hardheid van het stelsel.
UHT stelt zich in de schriftelijke beschouwing van 30 april 2025 op het standpunt dat over het toeslagjaar 2009 geen sprake is geweest van vooringenomen handelen. Over dat jaar heeft één neerwaartse correctie plaatsgevonden omdat er een wijziging in het toetsingsinkomen van belanghebbende was van € 15.150 naar € 18.271. Bij de definitieve beschikking van 28 april 2011 is de kinderopvang-toeslag neerwaarts gecorrigeerd van € 593 naar € 591. Het verschil, € 2, is teruggevorderd.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2009 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. Belanghebbende heeft niet betwist dat haar toetsingsinkomen is gestegen. De terugvordering KOT over toeslagjaar 2009 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt dat in de compensatieberekening over 2010 de bedragen ter zake van materiële (component h) en immateriële schade (component n) te laag zijn vastgesteld. Haar werkelijke schade zou hoger zijn. De Commissie volgt belanghebbende daarin niet.
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 leden 3 en 4 Wht worden aan schadevergoeding de daar genoemde standaard vergoedingen toegekend. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende betoogt ten aanzien van het toeslagjaar 2011 dat sprake is van recht op compensatie vanwege vooringenomen handelen dan wel hardheid van het stelsel.
UHT stelt zich in de schriftelijke beschouwing van 30 april 2025 op het standpunt dat over het toeslagjaar 2011 één neerwaartse correctie heeft plaatsgevonden. Met de beschikking van 14 januari 2011 is door B/T de KOT over 2011 vastgesteld op € 14.567. De kinderopvanginstelling geeft B/T vervolgens geïnformeerd dat de kinderopvang van de kinderen van belanghebbende per 6 juni 2011 is gestopt.
Met de beschikking van 29 juni 2011 is de KOT door B/T vervolgens naar beneden bijgesteld tot € 6.272. Met de beschikking van 6 november 2012 is de KOT van belanghebbende over 2011 definitief vastgesteld op € 6.272.
De stopzetting van de KOT per 6 juni 2011 heeft plaatsgevonden op basis van gegevens verkregen van de kinderopvanginstelling. Er was geen reden voor B/T om aan deze informatie te twijfelen. Belanghebbende heeft niet betwist dat de kinderopvang per 6 juni 2011 was gestopt en heeft tegen de definitieve beschikking ook geen bezwaar gemaakt.
De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over toeslagjaar 2011 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend.
Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Omdat de Commissie niet adviseert tot herroeping van het bestreden besluit, adviseert zij het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter