BAC 2025-16018
Publicatiedatum 14-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 15 februari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 10 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 30 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag van 15 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2011.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 februari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden besluit van 15 februari 2024 (UHT-DCHOA) aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie.
- Belanghebbende heeft bij brief van 4 april 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 21 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 10 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 11 en 30 maart 2026 per e-mail nadere schriftelijke reacties ingediend en daarbij aangegeven dat alleen een belanghebbende informatie over de kwalificatie opzet/grove schuld per e-mail kan indienen. Daarnaast geeft UHT aan dat er geen sprake is van een OG/S kwalificatie. Gemachtigde heeft op 7 april 2026 een verzoek bij UHT ingediend en hierop heeft UHT op 8 april 2026 een reactie gestuurd.
- Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie per mail op 30 maart 2026 verzocht, geen nadere informatie ingediend over het faillissement (met name de faillissementsbeschikking) van belanghebbende, ook niet na verleend uitstel tot 17 april 2026.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Geen compensatie
Belanghebbende stelt dat hij wel recht heeft op compensatie.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de
Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel als bedoeld in de Wht. De (hoogte van de) terugvorderingen KOT zijn door UHT in de schriftelijke reactie nader onderbouwd en deze komen voort uit reguliere wijzigingen, waaronder de stopzetting door belanghebbende op 4 februari 2009. Dat volgens belanghebbende dit geen stopzetting was, maar een wijziging en hij wel degelijk opvang heeft afgenomen, heeft hij niet onderbouwd met nadere gegevens en daarmee niet aannemelijk gemaakt. De bijstellingen zijn daarmee conform de wet uitgevoerd.
Voorts merkt de Commissie op dat voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 volgens UHT mogelijk wel sprake was van vooringenomen handelen. Alleen blijft toekenning van compensatie, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de periode 2009 tot en met 2011, nu belanghebbende in die periode geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang.
Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt daarom voor de periode 2006 tot en met 2011 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Geen O/GS-tegemoetkoming
Desgevraagd heeft belanghebbende niet onderbouwd dat het weigeren van een betalingsregeling bij de terugvordering van KOT wegens opzet of grove schuld, een rol heeft gespeeld bij zijn faillissement. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat er gronden zijn voor een O/GS-tegemoetkoming.
Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar in de visie van de Commissie ongegrond is, de belanghebbende geen recht heeft op vergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter