Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16003

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 25 oktober 2023 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 24 november 2025 om 13:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 24 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 25 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHO.
Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 36.496,- voor de jaren 2008, 2011 en 2012 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2006, 2007, 2009, 2010 en 2013 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 9 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2015. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit aangepast naar de jaren 2006 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij brief van 17 februari 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 oktober 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2006, 2007, 2009, 2010, 2012 en 2014 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belang-hebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 36.496,- voor de toeslagjaren 2008, 2011 en 2012 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2006, 2007, 2009, 2010 en 2013 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 oktober 2023, ingekomen op 27 oktober 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 2 juni 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 24 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 27 januari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op
    20 februari 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008, 2011 en 2012 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belang-hebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2006, 2007, 2009, 2010 en 2013 tot en met 2019 af te wijzen. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen is besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.

Reguliere correcties
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de verhogingen en verlagingen van de KOT voor de toeslagjaren 2006, 2007, 2009, 2010 en 2012 tot en met 2019 zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen en toegezonden jaaropgaven, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.

B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT-voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op de inkomensgegevens van ouders zoals deze in het systeem van de belastingdienst worden verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaren 2006, 2007, 2009, 2010 en 2012 tot en met 2019 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel.
De terugvorderingen KOT waren het gevolg van een achteraf te hoog gebleken voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend.
Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.

Voor het toeslagjaar 2012 is wel sprake van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) zodat belanghebbende voor dit toeslagjaar recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming, zoals reeds door UHT is vastgesteld.

KOT naar KOI
Volgens gemachtigde is in de jaren 2009, 2010 en 2012 sprake van hardheid van het stelsel, omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling (afgekort als “KOI”) is betaald, terwijl vervolgens bedragen van meer dan € 1.500,- van belanghebbende zijn teruggevorderd. De Commissie overweegt hierover als volgt.

Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen volgens vaste uitvoeringspraktijk – zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT – een bijzondere omstandigheid opleveren die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste € 1.500,- is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste € 1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende. Met deze praktijk geeft UHT volgens de Commissie een juiste toepassing aan de Wht. Deze praktijk komt niet in strijd zou komen met een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.

De Commissie is van oordeel dat in dit geval, gegeven deze praktijk, geen aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. UHT heeft de berekening voor de jaren 2009, 2010 en 2012 nader toegelicht. Voor deze jaren is aannemelijk geworden het volledige bedrag dat is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling, aan belanghebbende ten goede kwam. Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de hiervoor beschreven eisen van UHT voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel.

De Commissie heeft in de stukken en datgene wat op de zitting is besproken ook geen aanleiding kunnen vinden voor de opvatting dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. Het door belanghebbende op dit punt ontwikkelde bezwaar treft dan ook geen doel.

Compensatieberekening
Na bestudering van de stukken in het dossier concludeert de Commissie dat in de compensatieberekening door UHT fouten zijn gemaakt maar dat geen van deze fouten in het nadeel is van belanghebbende.

UHT heeft bij component o, de gemiste toeslagrente, fouten gemaakt in de berekening doordat verkeerde data zijn gebruikt. Voor beide toegewezen toeslagjaren zijn de gemaakte fouten in het voordeel van belanghebbende, waardoor zij meer compensatie heeft ontvangen dan waar zij recht op heeft.
In verband met het verbod op verandering naar een slechtere positie op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de berekening niet aangepast aangezien dit in het nadeel zou zijn van belanghebbende.

Nu de door UHT gemaakte fouten in het voordeel van belanghebbende zijn, adviseert de Commissie om de gemaakte berekening niet aan te passen en om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om het hierop betrekking hebbende verzoek af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter