BAC 2025-15995
Publicatiedatum 14-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 mei 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 14 april 2026
Overdracht advies aan UHT: 24 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag van 6 mei 2024 met kenmerk UHT-DCHO (hierna: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 15.668 voor het jaar 2016 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2015 en 2017 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 27 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2017. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit aangepast naar de jaren 2015 tot en met 2019.
- UHT heeft bij besluit van 13 juli 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 april 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2015 en 2017 tot en met 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 15.668 voor het jaar 2016 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2015 en 2017 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 14 juni 2024, ingekomen op 14 juni 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 9 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 april 2026, ingekomen op 10 april 2026, het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 13 juli 2025 schriftelijke gereageerd op de aanvullende bezwaargronden.
- Op 14 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2016 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2015 en 2017 tot en met 2019 af te wijzen.
Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd met geschreven en ongeschreven rechtsregels en algemene rechtsbeginselen is genomen. Meer specifiek stelt zij dat UHT bij het nemen van het bestreden besluit artikel 3:2 Awb, het zorgvuldigheidsbeginsel, niet in acht heeft genomen.
De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking op uitvoerige en draagkrachtige wijze heeft gemotiveerd en zorgvuldig heeft voorbereid. Met de beschouwing van 9 juli 2025 en de aanvullende beschouwing van 10 april 2026 heeft UHT een uitgebreide toelichting gegeven, onder meer aan de hand van de LICoverzichten en het SAS-rapport en overige relevante stukken.
Deze documenten maken onderdeel uit van de onderliggende stukken.
De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verrekeningen
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij voor het toeslagjaar 2015 onredelijk hard is getroffen door de definitieve beschikking van 3 maart 2017, op grond waarvan zij een fors bedrag aan KOT moest terugbetalen. Als gevolg daarvan hebben er verrekeningen plaatsgevonden met andere toeslagen, waardoor zij verder in de financiële problemen raakte. Om deze redenen meent zij dat zij recht heeft op compensatie op grond van de hardheidsregeling.
Uit de onderliggende stukken is de Commissie gebleken dat de terugvordering, welke is ontstaan uit de beschikking van 3 maart 2017, gezien de beperkte aflossingscapaciteit van belanghebbende, op oninbaar is gezet. Vervolgens heeft Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) het terugvorderingsbedrag verrekend met andere toeslagen van belanghebbende. Op grond van artikel 30 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is B/T bevoegd tot dergelijke verrekeningen. Deze verrekeningen zijn geen reden om vooringenomenheid dan wel hardheid aan te nemen. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Verwerkingsduur definitieve beschikking KOT
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid voor het toeslagjaar 2017, omdat het bijna twee jaar heeft geduurd voordat zij een definitieve beschikking heeft ontvangen.
De lange verwerkingsduur in combinatie met de reeds over 2015 en 2016 opgelopen financiële problemen, zijn volgens haar een sterke indicatie van vooringenomenheid.
De Commissie overweegt dat de lange duur tot vaststelling van de definitieve beschikking op zichzelf onvoldoende is om vooringenomenheid aan te nemen.
De lange duur tot vaststelling van een definitieve beschikking kan in combinatie met andere omstandigheden wel tot de conclusie vooringenomenheid leiden.
Het is de Commissie niet gebleken dat er zodanige andere omstandigheden zijn die tot vooringenomenheid kunnen leiden. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Hersteltermijn stopbrief
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid voor het toeslagjaar 2018. In dat jaar is de KOT van belanghebbende stopgezet, omdat zij niet reageerde op meerdere informatieverzoeken vanuit B/T. Nadat belanghebbende naar aanleiding van de stopbrief alsnog reageerde, heeft B/T de stopzetting van de KOT hersteld.
Volgens haar heeft B/T dat niet binnen de verplichte termijn van zes weken gedaan, waardoor zij naar haar mening vooringenomen is behandeld.
De Commissie overweegt dat het onterecht zenden van een stopbrief in beginsel is aan te merken als vooringenomen handelen door B/T. UHT gaat in haar schriftelijke reactie van 9 juli 2025 ook uit van vooringenomenheid.
Compensatie wegens dit vooringenomen handelen blijft, ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef, Wht, echter achterwege indien de aanvrager van KOT geen (materiële of immateriële) schade heeft geleden. Indien B/T de verlaging heeft hersteld en nooit is overgegaan tot invordering of verrekening, mag compensatie wegens vooringenomen handelen daarom achterwege blijven indien het herstel heeft plaatsgevonden binnen zes weken na de dagtekening van de stopbrief (door B/T zelf of na reactie van de ouder). Dan mag ervan worden uitgegaan dat de ouder geen schade heeft geleden, tenzij de ouder het tegendeel aannemelijk maakt.
Uit de onderliggende stukken is de Commissie gebleken dat de stopbrief als dagtekening 13 november 2018 heeft. Dit betekent dat B/T een termijn had tot en met 25 december 2018 om de stopzetting te herstellen. Bij herstelbrief van
4 december 2018 heeft B/T de KOT opnieuw beoordeeld en de stopzetting hersteld. Naar aanleiding daarvan ontvangt belanghebbende op 28 december 2018 een voorschotbeschikking. De Commissie is het niet eens met het standpunt van belanghebbende dat de voorschotbeschikking moet worden gezien als het moment waarop de stopzetting is hersteld. Dat besluit heeft B/T al eerder genomen met de herstelbrief en die is binnen een termijn van zes weken aan belanghebbende verzonden. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2019
Volgens artikel 2.1, lid 1, van de Wht vindt toekenning van compensatie plaats aan aanvragers die gedupeerd zijn door institutionele vooringenomenheid of door de hardheid van de toepassing die vóór 23 oktober 2019 aan het wettelijke systeem werd gegeven.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op compensatie voor vooringenomenheid dan wel hardheid met betrekking tot beslissingen van B/T van na 23 oktober 2019, nu er volgens haar een causaal verband bestaat met beslissingen die door B/T zijn genomen vóór 23 oktober 2019.
De Commissie overweegt dat in het onderhavige geval geen aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat de beslissingen die B/T na 23 oktober 2019 heeft genomen ten aanzien van het recht op KOT voor toeslagjaar 2019 verband houden met vooringenomen handelen of hardheid van vóór 23 oktober 2019. Het enkele feit dat de bevoorschotting achteraf bezien op een te hoog niveau lag, voert niet tot de conclusie dat sprake is van vooringenomen handelen of hardheid. Het is inherent aan het wettelijk systeem van bevoorschotting dat voorschotten later neerwaarts (of naar boven) bijgesteld kunnen worden. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Reguliere bijstellingen
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2015 en 2017 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over deze jaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend.
Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening
De Commissie constateert dat de rentevergoeding over de gemiste KOT (component o) voor het toeslagjaar 2016 niet correct is opgenomen in de compensatieberekening. Het bedrag is echter in het voordeel van belanghebbende berekend en een aanpassing hiervan betekent dat belanghebbende in een nadeliger positie raakt. Gelet op het uit artikel 7:11 van de Awb voortvloeiende verbod van reformatio in peius mag het indienen van een bezwaarschrift er niet toe leiden dat de indiener via de heroverweging door het bestuur in een slechtere positie geraakt, dan zonder de bezwaarprocedure het geval zou zijn. De Commissie adviseert om deze reden de bedragen niet ten nadele van belanghebbende aan te passen en de compensatieberekening in stand te laten. De Commissie ziet in het bezwaar geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de compensatieberekening voor het overige niet correct is. Hierbij neemt zij in aanmerking dat UHT een uitgebreide uitleg per component in de schriftelijke beschouwing heeft gegeven. De Commissie onderschrijft deze toelichting en adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter