Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15985

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 oktober 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 29 januari 2026 om 13:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 24 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 83.181,- voor de jaren 2009 tot en met 2012 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2008 en 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2012. Nadien is dit verzoek in overleg met belanghebbende uitgebreid tot de jaren 2005 tot en met 2013.
  • UHT heeft bij beschikking van 26 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2005 tot en met 2008 en 2013 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 82.348,-.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 83.181,-voor de jaren 2009 tot en met 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 23 november 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 11 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 27 januari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 29 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 17 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft op 2 maart 2026 daarop gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Motiverings- en formele zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Toeslagjaren 2005 tot en met 2008
Belanghebbende voert aan dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2008.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2008 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. In 2005 en 2008 hebben geen neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. In 2006 heeft één wijziging plaatsgevonden op basis van een door belanghebbende zelf ingevuld antwoordformulier. In 2007 hebben twee wijzigingen plaatsgevonden. De eerste wijziging betrof een door belanghebbende zelf doorgegeven stopzetting van de KOT per 13 januari 2007, welke op 8 maart 2007 is verwerkt. De tweede wijziging vond plaats op basis van een door belanghebbende zelf ingevuld antwoordformulier.

De terugvordering KOT over de toeslagjaren 2006 en 2007 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2013
Ook voor het jaar 2013 heeft de Commissie geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor dit toeslagjaar institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.

Uit een kopie uit het digitale burgerportaal blijkt dat belanghebbende op
18 december 2012 de KOT voor [naam kind] en [naam kind] met ingang van 1 januari 2013 heeft stopgezet. Vervolgens heeft belanghebbende op 17 juni 2013 de KOT voor [naam kind] met ingang van 1 juli 2013 heeft stopgezet. Naar aanleiding van deze tweede stopzetting is er op 9 juli 2013 een beschikking afgegeven, waarbij de hoogte van de KOT over de periode tot 1 juli 2013 is berekend op € 5.450.

Op 12 februari 2016 heeft er een neerwaartse bijstelling plaatsgevonden, waarbij de KOT is verlaagd naar € 790. Deze reden voor deze verlaging is dat uit informatie van de kinderopvanginstelling was gebleken dat voor [naam kind] opvang was afgenomen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 15 maart 2013 en daarna niet meer. Wanneer de KOT wordt bijgesteld op basis van de gegevens in de KOI-viewer zonder uitvraag te doen, kan dit leiden tot een vooringenomen handeling. Wanneer echter uit latere bewijsstukken of verklaringen blijkt dat de door de kinderopvanginstelling verstrekte opgave klopt mag daarvan worden uitgegaan en is er geen sprake van een onterechte verlaging van de KOT. Belanghebbende heeft tijdens het ouderverhaal zelf verklaard dat [naam kind] in de periode januari tot en met maart BSO heeft genoten. Ook heeft gemachtigde tijdens de hoorzitting bevestigd dat belanghebbende de KOT heeft stopgezet en vanaf april/mei zelf de opvang heeft moeten organiseren en bekostigen. Dit is in overeenstemming met de door de KOI verstrekte opgave.

De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2013 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Weliswaar was er sprake van een terugvordering of verlaging van € 1.500 of meer, maar is er geen sprake van een stopzetting/verlaging wegens het deels niet betalen van de opvangkosten, stopzetting wegens een kleine formele tekortkoming, fraude door derden of andere bijzondere omstandigheden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

FSV-lijst
Belanghebbende wil weten waarom zij op de FSV-lijst heeft gestaan en of zij inmiddels van deze lijst is verwijderd. UHT heeft in de aanvullende beschouwing toegelicht dat is gebleken dat belanghebbende op 5 oktober 2007 op de FSV-lijst is gezet vanwege mogelijke fouten betreffende haar aangifte inkomstenbelasting.
De vermelding van belanghebbende op de FSV lijst heeft geen invloed gehad op de definitieve vaststelling van haar recht op KOT, althans is niet aannemelijk geworden dat de registratie heeft geleid tot institutioneel vooringenomen handelen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet hersteloperatie toeslagen. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

UHT heeft niet kunnen bevestigen of belanghebbende inmiddels van de FSV-lijst is verwijderd. Volgens UHT hangt dit samen met het feit dat de FSV-lijst op 27 februari 2020 is opgeschoond en dat de back-up daarvan is veiliggesteld en in een beveiligde omgeving is opgeslagen. De Commissie overweegt hierover het volgende. Het FSV-systeem is een systeem dat niet langer in gebruik is en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een specifieke bevoegdheid. De Commissie adviseert UHT – nu zij zelf niet over de benodigde bevoegdheden beschikt – om belanghebbende desondanks zo volledig mogelijk te informeren door duidelijk en concreet uiteen te zetten op welke wijze en via welke route zij de door haar gewenste gedetailleerde informatie wél kan verkrijgen.

Rentevergoeding gemiste KOT (component o)
Belanghebbende stelt dat een inzichtelijke berekening van de rentevergoeding wegens gemiste KOT ontbreekt. De Commissie volgt belanghebbende hierin niet. UHT heeft in de schriftelijke beschouwing duidelijk uiteengezet dat de rentevergoeding wegens gemiste KOT eerder onjuist is berekend en heeft die toelichting onderbouwd met verwijzingen naar meerdere stukken uit het bezwaardossier. Uit deze stukken blijkt per toeslagjaar op welke wijze de rentevergoeding wegens gemiste KOT is vastgesteld. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Immateriële schadevergoeding (component n)
Belanghebbende betoogt dat het forfaitaire bedrag van € 500 per half jaar niet conform jurisprudentie is. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in Home | Schadeherstel Toeslagen.

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenveroordeling toe te kennen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om belanghebbende geen proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter