Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15963

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 13 december 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 29 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 10 april 2026

Samenvatting

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit van 13 december 2023 met kenmerk UHT-DCH te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 53.773 voor de jaren 2009 en 2010 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2007, 2008 en 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 6 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 en 2011. In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling aangepast naar de toeslagjaren 2007 tot en met 2011.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 september 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de toeslagjaren 2007, 2008 en 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het besluit van 13 november 2023, met kenmerk UHT-VCH, belanghebbende voor de toeslagjaren 2009 en 2010 een voorlopige vergoeding toegekend voor een bedrag van € 53.640. Voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2011 is in de vooraankondiging aan belanghebbende geen vergoeding toegekend.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 13 december 2023, met kenmerk UHT-DCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 53.773 voor de toeslagjaren 2009 en 2010. Voor de toeslagjaren 2007, 2008 en 2011 is aan belanghebbende geen vergoeding toegekend.
  • Gemachtigde heeft op 8 januari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 8 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 27 en 28 januari 2026 het bezwaar schriftelijk aangevuld.
  • UHT heeft op 28 januari 2026 schriftelijk gereageerd op de standpunten van gemachtigde.
  • Op 29 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet het besluit heeft over de volledige informatie, omdat zij niet het besluit heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen besluiten op bezwaar van UHT, zoals volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.

Op grond van artikel 7:4, lid 2 Awb en artikel 5.2, leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 21 oktober 2025 naar gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.

Motivering van het besluit

Belanghebbende stelt dat UHT onvoldoende helder en begrijpelijk aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt hoe de onderdelen van de compensatieberekening zijn opgebouwd. De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De compensatieberekening is vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen, definitieve besluiten en wijzigingsmeldingen van de KOT.

Voor zover UHT het bestreden besluit bij het uitbrengen niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van oordeel dat, met het indienen van de schriftelijke beschouwing met daarin per relevant toeslagjaar een toelichting voorzien van producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd. Gelet hierop adviseert de Commissie UHT de bezwaren ten aanzien van dit punt ongegrond te verklaren.

Vergewisplicht

Belanghebbende stelt dat UHT niet heeft voldaan aan de vergewisplicht van artikel 3:9 van de Awb nu uit het definitieve besluit niet zou blijken dat UHT het advies van de CvW heeft getoetst. UHT stelt dat het advies van de CvW overeenkomt met het definitieve besluit. UHT is derhalve van mening dat zij de vergewisplicht niet heeft geschonden.

De Commissie overweegt hierover het volgende. De Commissie moet beoordelen of UHT zich mocht baseren op het advies van de CvW. De Commissie stelt voorop dat de CvW advies uitbrengt in de zin van artikel 3:5 van de Awb. UHT mag zich daarom op het advies van de CvW baseren, nadat zij zich ervan vergewist heeft dat het onderzoek dat aan het advies ten grondslag ligt, op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten (artikel 3:9 Awb). De CvW heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 september 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de toeslagjaren 2007, 2008 en 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.

De Commissie is van oordeel dat UHT zich in redelijkheid op het advies van de CvW heeft mogen beroepen. Het advies van CvW kan als zorgvuldig, begrijpelijk en navolgbaar worden beschouwd. De Commissie ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat UHT niet aan de vergewisplicht heeft voldaan. De Commissie ziet geen aanknopingspunten om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.

De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2007

Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd over toeslagjaar 2007.

UHT heeft het recht op compensatie over toeslagjaar 2007 opnieuw beoordeeld. Uit het dossier blijkt dat belanghebbende de KOT per 1 juni 2007 heeft aangevraagd.

Belanghebbende heeft op 14 januari 2008 een wijziging doorgevoerd per 1 juni 2007. Voorts heeft belanghebbende op 21 november 2008 een Antwoordformulier opgestuurd met een jaaropgave van het jaar 2007 naar de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Belanghebbende heeft in 2007 in totaal voorschotten ontvangen ter hoogte van € 7.700. De KOT is bij definitieve besluit van 23 mei 2009 vastgesteld op € 6.717. UHT stelt dat de oorzaak van de verlaging van de KOT is gelegen in de gegevens van de jaaropgave. UHT stelt dat dergelijke neerwaartse correcties reguliere wijzigingen betreffen en dat daarom geen recht bestaat op compensatie op grond van vooringenomenheid dan wel hardheid.

Naar het oordeel van de Commissie is over toeslagjaar 2007 geen sprake van vooringenomenheid dan wel hardheid. De neerwaartse bijstelling was het gevolg van de gegevens uit het Antwoordformulier en de jaaropgave. Dit betreft een reguliere wijziging op basis van gegevens waar B/T destijds van mocht uitgaan. Voorts is de Commissie van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het toekennen van compensatie op grond van de hardheidsregeling rechtvaardigt.

De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2008

Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd over toeslagjaar 2008. Belanghebbende is van mening dat van een lagere vermindering wordt uitgegaan voor de toepassing van de herstelregeling.

UHT heeft het recht op compensatie over toeslagjaar 2008 opnieuw beoordeeld. Uit het dossier blijkt dat de KOT op 23 november 2007 automatisch is gecontinueerd voor een bedrag van € 10.358. Belanghebbende heeft op 17 oktober 2008 met ingang van 1 juli 2008 een wijziging doorgevoerd in verband met de verhoging van het aantal opvanguren. Belanghebbende voert op 20 oktober 2008 met ingang van 1 november 2008 nog een wijziging door. De KOT is, op basis van de wijziging van 17 oktober 2008, bij besluit van 28 november 2008 vastgesteld op € 15.955. Vervolgens wordt de KOT, op basis van de wijziging van 20 oktober 2008, op 29 december 2008 neerwaarts bijgesteld naar € 14.094. Belanghebbende voert vervolgens op 24 november 2008, 12 januari 2009 en 23 januari 2009 wijzigingen door die leiden tot een verhoging van de KOT. De KOT is wegens een neerwaartse verlaging van het jaarbedrag van belanghebbende op 16 december 2010 definitief vastgesteld op € 17.783. UHT stelt dat dergelijke neerwaartse correcties reguliere wijzigingen betreffen en dat daarom geen recht bestaat op compensatie op grond van vooringenomenheid dan wel hardheid.

Naar het oordeel van de Commissie is over toeslagjaar 2008 geen sprake van vooringenomenheid dan wel hardheid. De neerwaartse bijstelling was het gevolg van een wijziging die belanghebbende zelf heeft doorgegeven. Dit betreft een reguliere wijziging waar B/T destijds van mocht uitgaan. Voorts is de Commissie van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het toekennen van compensatie op grond van de hardheidsregeling rechtvaardigt.

Hier zij opgemerkt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT besluiten.

Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht.

De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2011

Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd over toeslagjaar 2011. Belanghebbende stelt dat het ontbreken van een LRK-nummer in 2011 haar niet kan worden verweten. In haar aanvullende reactie van 27 januari 2026 heeft belanghebbende een DUO-overzicht overlegd ter onderbouwing van haar standpunt dat zij in 2011 gebruik heeft gemaakt van kinderopvang, omdat zij destijds een opleiding volgde.

UHT heeft in haar aanvullende schriftelijke reactie van 28 januari 2026 geconcludeerd dat belanghebbende alsnog in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid. UHT stelt dat enkel bij het aanvragen van de KOT van de ouder verwacht mag worden dat zij onderzoek verricht naar de LRK-registratie van de kinderopvanginstelling. Als die registratie later vervalt, kan dat de ouder pas worden tegengeworpen vanaf het moment dat zij daar uitdrukkelijk over is geïnformeerd, bijvoorbeeld via een brief van B/T. Tot die kennisgeving behoudt de ouder in beginsel het recht op KOT aldus UHT. UHT verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van State van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1572. UHT stelt dat, indien een ouder niet is geïnformeerd over het vervallen van de LRK-registratie en desondanks de KOT is stopgezet, in beginsel sprake is van vooringenomen handelen, ongeacht het moment waarop de stopzetting heeft plaatsgevonden. UHT stelt dat zij in haar systemen geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden waaruit blijkt dat belanghebbende op de hoogte is gesteld van het vervallen van de LRK-registratie. UHT stelt zich op het standpunt dat belanghebbende daarom over deze periode aanspraak maakt op een bedrag aan compensatie op grond van de Wht.

De Commissie adviseert UHT, aansluitend bij haar eigen standpunt, om het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en belanghebbende alsnog een bedrag aan compensatie toe te kennen over het toeslagjaar 2011.

Onderliggende stukken O/GS beoordeling

Belanghebbende verzoekt in haar aanvullend bezwaar en ter zitting om alle O/GS stukken. Zij acht deze stukken van groot belang om een volledige beoordeling te kunnen maken.

UHT stelt dat zij in beginsel uit mag gaan van de gegevens van de door CAP B&I vastgestelde O/GS-kwalificatie. UHT stelt dat enkel bij concrete aanwijzingen of aanknopingspunten die leiden tot twijfel van deze vaststelling, aanleiding bestaat om gericht nader onderzoek te doen. Ter zitting voert UHT aan dat zij voorafgaand de zitting alle systemen heeft geraadpleegd. UHT stelt dat zij geen betalingsregelingen over de toeslagjaren 2007 en 2008 heeft aangetroffen.

De Commissie stelt vast dat uit het dossier volgt dat UHT tot de conclusie komt dat geen sprake is geweest van een (onterechte) kwalificatie O/GS. Dat laat onverlet dat de Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545.

Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-beoordeling en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Invorderingskosten en -rente (component i)

In haar schriftelijke beschouwing stelt UHT dat de berekening van component i over toeslagjaar 2010 niet correct is. Dit leidt tot de conclusie dat een te hoog bedrag is opgenomen in de compensatieberekening. UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing verklaard dat het te veel ontvangen bedrag niet aangepast of teruggevorderd zal worden. De Commissie onderschrijft dit standpunt.

Vergoeding voor immateriële schadevergoeding (component n)

Belanghebbende is het niet eens met de berekening van de vergoeding voor immateriële schade. Zij is van mening dat zij meer immateriële schade heeft geleden dan het bedrag waarvoor zij is gecompenseerd. UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing toegelicht dat zij de verkeerde einddatum heeft gehanteerd. UHT zal de einddatum in beslissing op bezwaar aanpassen. Desalniettemin voert UHT aan dat aanpassing van de einddatum niet leidt tot aanpassing van de immateriële schadevergoeding.

De Commissie merkt op dat de vergoeding voor immateriële schade wordt vastgesteld met een forfaitair bedrag. Met betrekking tot de berekening van de vergoeding voor immateriële schade onderschrijft de Commissie het standpunt van UHT. De Commissie adviseert de einddatum in de beslissing op bezwaar aan te passen en het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.

Rentevergoeding gemiste KOT (component o)

In haar schriftelijke beschouwing stelt UHT dat rentevergoedingen over gemiste KOT over toeslagjaar 2009 en 2010 niet correct zijn. Dit leidt tot de conclusie dat een te laag bedrag is opgenomen in de compensatieberekening. UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing verklaard dat de te lage rentevergoeding over gemiste KOT wordt verrekend met de te hoge rente in component i. De Commissie onderschrijft dit standpunt.

Aanvullende vergoeding van 1% (component p)

Nu de compensatieberekening met betrekking tot de vergoeding voor immateriële schade en de rentevergoeding over gemiste KOT gegrond wordt geacht, adviseert de Commissie om de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen.

Proceskostenvergoeding

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gegrond is, adviseert de Commissie om aan belanghebbende

een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit van 13 december 2023 met kenmerk UHT-DCH te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter