Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15954

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 2 december 2024 (UHT-DCHO)

Overdracht advies aan UHT: 19 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 december 2024 (UHT-DCHO) waarbij belanghebbende is meegedeeld:

  • dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2008 en 2009 is gebleken van fouten met betrekking tot toeslagjaar 2008 en dat belanghebbende daarom recht heeft op een compensatiebedrag van € 5.547. Dit is met toepassing van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • Bij brief van 12 januari 2023 is belanghebbende meegedeeld dat hij, in het kader van de eerste toets, recht heeft op een betaling van € 30.000.
  • Op 18 november 2024 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) een beoordeling gegeven. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor toeslagjaar 2009 geen herstelregeling van toepassing is. Voor toeslagjaar 2008 is de compensatieregeling wel van toepassing.
  • Bij brief van 2 december 2024 is het bestreden besluit genomen.
  • Bij brief van 9 januari 2025 heeft gemachtigde hiertegen bezwaar gemaakt.
  • Op 17 juli 2025 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
  • Op 29 januari 2026 heeft de Commissie aan gemachtigde gevraagd kenbaar te maken of er wordt afgezien van het recht om te worden gehoord en zo ja, om uiterlijk 6 maart 2026 eventueel aanvullende gronden van bezwaar in te dienen.
  • Op 5 februari 2026 heeft gemachtigde laten weten dat belanghebbende geen behoefte heeft aan een hoorzitting.
  • Gemachtigde heeft binnen de gestelde termijn geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om aanvullende gronden van bezwaar in te dienen.
  • De Commissie ziet, op grond van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Persoonlijk dossier

Met betrekking tot de bezwaargrond dat belanghebbende inzage wenst in zijn persoonlijke dossier, oordeelt de Commissie als volgt. Hoewel de Commissie begrijpt dat belanghebbende graag toegang wil tot zijn volledige persoonlijke dossier, is UHT op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen verplicht om de stukken die relevant zijn voor de zaak te overleggen. Het volledige persoonlijke dossier van belanghebbende is veel omvangrijker en valt niet onder de definitie van ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’. UHT heeft de documenten waarop het bestreden besluit is gebaseerd in het geding gebracht en de Commissie heeft geen aanwijzingen dat er relevante stukken ontbreken. Op basis van de overgelegde documenten is het voldoende duidelijk hoe tot het besluit is gekomen. De Commissie adviseert daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Herbeoordeelde toeslagjaren

Het bezwaarschrift heeft een brede strekking voor wat betreft de door belanghebbende gestelde werkelijke schade. De Commissie neemt aan dat belanghebbende in het kader van deze bezwaarfase enkel bezwaar maakt tegen de afwijzing van compensatie voor het toeslagjaar 2009.

Blijkens het informatie- en beoordelingsformulier heeft de Belastingdienst/Toeslagen middels een interne stop op 10 november 2009 de KOT stopgezet met ingang van 30 november 2009, waardoor de KOT voor december 2009 niet is overgemaakt naar [naam kinderopvanginstelling]. Op 16 september 2010 is belanghebbende meegedeeld dat hij achteraf wel recht had op KOT voor de maand december. Blijkens het LIC-overzicht 2009 is het bedrag van € 492 naar hem overgemaakt. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende door de stopzetting van zijn KOT geen opvang meer mocht afnemen bij de [naam kinderopvanginstelling]. Evenmin is gebleken dat hij de opvangkosten voor december 2009 moest voorschieten aan [naam kinderopvanginstelling]. Hoewel de gang van zaken niet de schoonheidsprijs verdient, omdat belanghebbende vooraf niet op de hoogte is gesteld van de (voorgenomen en later gebleken onterechte) stopzetting van zijn KOT per 30 november 2009, is de Commissie van oordeel dat er in dit specifieke geval onvoldoende aanleiding bestaat om te adviseren om belanghebbende te compenseren voor 2009. Ook omdat de ingangsvoorwaarde voor de hardheidsregeling dat er sprake moet zijn van een verlaging van de KOT van € 1.500 of meer, niet aan de orde is. De verlaging van de KOT was slechts een bedrag van € 488.

Proceskostenvergoeding

Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • het bezwaar ongegrond te verklaren;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter